Klei luistert niet; keramiek in een oude koffiebranderij

Klei is willig, klei krimpt, klei verandert zodra je er een duim in zet. Directeur Adriaan van Spanje van het Europees Keramisch Werkcentrum in Den Bosch maakte een aantal jaar geleden het plan om 'keramiek op de menukaart van de beeldende kunstenaar te zetten' en dat lijkt te lukken. Elke drie maanden komen twaalf kunstenaars hun afkeer overwinnen om hun vingers in de verse klei te duwen.

Voor rondleidingen - speciaal voor kunstenaars - in het Europees Keramisch Werkcentrum, Zuid-Willemsvaart 215 Den Bosch: tel: 073-12 45 00. Lezing aldaar door Irene Fortuyn: 27 mei, 14 u. Keramiek van Erik Andriesse, Rob Birza en Paul van Dijk, gemaakt in het Keramisch Werkcentrum, wordt vanaf 27 maart in museum Het Kruithuis in Den Bosch geexposeerd.

Het heeft een langere levensduur dan bijna elk ander kunstzinnig materiaal, maar het is tegelijk het breekbaarste van alle. Er wordt al duizenden jaren mee gewerkt, overal ter wereld, en toch wordt het niet op waarde geschat. Althans, niet in de wereld van de beeldende kunst. Klei wordt nog steeds geassocieerd met schalen en potten, met ambachtelijkheid dus. Wie op bezoek gaat in het Europees Keramisch Werkcentrum in Den Bosch dat dit voorjaar twee jaar bestaat, is verbaasd over de technische geavanceerdheid waarmee het vervaardigen van keramiek tegenwoordig tot stand komt, en de complexe problemen die daarbij komen kijken.

Het Keramisch Werkcentrum is gevestigd in een voormalige koffiebranderij die van binnen ingrijpend is verbouwd; het modernistische interieur lijkt eerder dat van een architectenbureau dan een werkplaats. De grote ovens in de centrale benedenruimte die je vanaf een vide kunt zien, wekken de indruk dat men in een fabriek is beland. We zijn in de enige niet-commerciële 'werkplaats voor hedendaagse kunst, met keramiek als uitgangspunt' ter wereld. In dit ambitieus opgezette centrum wil men klei van zijn creatieve-cursussenimago ontdoen om het tot volwaardig beeldend medium te laten 'emanciperen'. Picasso en Miró dienen als voorbeelden bij de overtuiging van de stafleden dat juist beeldende kunstenaars vernieuwing teweeg brengen in de keramiek.

Kneedbaar

Elke drie maanden kunnen twaalf kunstenaars in Den Bosch terecht. Ze kunnen zich hier terugtrekken en afstand nemen van hun dagelijkse beslommeringen als in een 'kloosterlijke samenleving', zoals één van de deelnemers het noemt. Vierentwintig uur per dag kunnen ze er werken, uitsluitend met klei. Behalve een eigen atelier hebben ze tegen betaling van 250 gulden per maand namelijk ook een slaapkamer met eigen badkamer tot hun beschikking. Het merendeel van de deelnemers bestaat uit beeldhouwers en schilders, waarvan velen niet eerder klei gebruikten; niet meer dan een derde is keramist.

Het vrijwel geheel door WVC gefinancierde Werkcentrum (men ontvangt 1,2 miljoen subsidie per jaar) bood gedurende zijn tweejarige bestaan onderdak aan bijna 200 uit alle windstreken afkomstige beeldend kunstenaars, vormgevers en architecten. Omdat de meesten 'niet gehinderd zijn door enige kennis van zaken', worden ze terzijde gestaan door artistiek leider Xavier Toubes en werkplaatscoördinator Anton Reijnders, beiden keramist/kunstenaar, en vier assistenten.

De laatste jaren valt een toenemende belangstelling voor keramiek waar te nemen. Een internationaal bekende beeldhouwer als Tony Cragg, die in het Werkcentrum een aantal manshoge vaten in keramiek maakte, is daarvan een voorbeeld en omvangrijke monumentale opdrachten worden soms in gebakken klei uitgevoerd. Van Alphons Freymuth, die twee jaar geleden in Den Bosch heeft gewerkt, werd onlangs aan de Erasmusgracht in Amsterdam een groot beeld van klei onthuld. Toch heersen er nog allerlei misvattingen over klei, niet in de laatste plaats onder kunstenaars. Zij denken dat het een makkelijk materiaal is omdat het kneedbaar is, maar “klei luistert niet naar je”, zoals beeldhouwer Veron Urdarianu verzucht die vorig jaar in het Wekcentrum bivakkeerde. “Klei verandert zodra je er een duim in zet”, aldus collega Mark Manders, “en het heeft pas vaste vorm gekregen op het moment dat het uit de oven komt.” Als het om grote objecten gaat, kan een kunstwerk daar soms wel een week in zitten, nadat het tot twee maanden heeft moeten drogen. Veel kunstenaars klagen over het feit dat ze het werk zo'n tijd kwijt zijn; de veronderstelde 'snelheid' en directheid van het medium wordt in deze fase gelogenstraft. Keramiek maken betekent veel moeten wachten.

Bouwvakker

Kleien vergt soms zware fysieke arbeid. “Ik heb als een bouwvakker gewerkt”, lacht de beeldhouwer Adam Colton, en Irene Fortuyn wordt nòg moe als ze denkt aan “al die slappe slierten” die ze moest kneden en op hun plaats vastduwen om haar bijna twee meter hoge honden die ze vorig jaar in het Werkcentrum maakte, een hazewind en een boxer, op te bouwen. Lastig is dat de klei in het atelier voortdurend nat gehouden en afgedekt moet worden om voortijdige uitdroging (waardoor het object zou gaan scheuren) te voorkomen. En dan is er nog de zenuwslopende fase van het stoken; sommige kunstenaars durven niet te kijken als de ovendeur openzwaait, bang dat hun technisch vaak moeilijk realiseerbare werk er in gruzelementen uit tevoorschijn zal komen. Er zijn in Den Bosch kunstenaars waargenomen die huilend bij de oven stonden omdat ze een maand hard werken letterlijk aan scherven zagen liggen.

Bijna altijd ziet het resultaat er anders uit dan de maker had voorzien. Klei krimpt, het wordt gemiddeld 15% kleiner dan het oorspronkelijke beeld, en het aanbrengen van kleur in de vorm van glazuur kan de ruimtelijke werking ingrijpend veranderen. Dat is een schok, omdat beeldend kunstenaars daar vaak geen rekening mee hebben gehouden. Maar ook de oorspronkelijk als keramiste opgeleide kunstenaar Helly Oestreicher is steeds weer verbaasd dat 'een werk dat heel eigen was, je toch vreemd is als het uit de oven komt. Je moet er opnieuw aan wennen.'

Een wandeling langs de ateliers geeft aan welke uiteenlopende verschijningsvormen een en hetzelfde materiaal kan aannemen. De uit Ohio afkomstige keramiste Mary Jo Bole maakte een aantal kleurrijke fabeldieren die moeten dienen als ornamenten op kindergrafjes. 'Even de begrafenismuziek erbij aanzetten', zegt ze monter, terwijl ze haar ghetto-blaster aanzet. Een serie suikertaart-roze geglazuurde maandverbanden prijkt aan de muur van de Rotterdammer Harry Boom; de titel is Kotex Freedom. Beeldhouwer Mark Manders is bezig een meer dan levensgroot mensachtig wezen uit klei te vormen, als een afschrikwekkende golem. Ook als hij gebakken is, moet hij er nog uitzien alsof je er je vingerafdruk in achter kunt laten, vertelt hij. En Doris Kaiser uit Krefeld camoufleert de scheuren die zijn gevallen in haar vierkante platen en kubusvormige sculpturen. Terwijl de potvorm de meest geëigende vorm is voor keramiek omdat de spanning tijdens het stoken rond kan gaan, hoopt de energie zich bij een vierkant of kubus namelijk op in de hoeken, met alle gevolgen van dien. Kaiser geeft toe dat ze zich een beetje verkeken heeft op dit waagstuk en wil voorlopig niets meer met vierhoeken te maken hebben waar het keramiek betreft. Overigens legt het werkcentrum een collectie aan van stukken die in eigen huis zijn gemaakt. Onder meer Erik Andriesse, Rob Birza, Adam Colton en Armando stonden belangeloos een werk af voor deze documentaire verzameling, die beheerd wordt door museum Het Kruithuis in Den Bosch.

Menukaart

Het Keramisch Werkcentrum is voortgekomen uit een werkplaats in Heusden, die in 1973 werd gesticht om pas van de academie gekomen Hollandse keramisten op weg te helpen in hun beroepspraktijk. Het wilde een leidende rol spelen in de keramiek-wereld. Die opzet voldeed na vijftien jaar niet meer; de in 1987 aangetreden directeur Adriaan van Spanje, die ook in Den Bosch de scepter zwaait, maakte een plan om 'keramiek op de menukaart van de beeldende kunstenaar te zetten' en zo een verfrissende kijk op het medium te entameren. Een derde van de deelnemers is hier op uitnodiging, wie zich uit eigen beweging aanmeldt wordt door een selectiecommissie beoordeeld. Er is geen leeftijdsgrens, ook oudere kunstenaars als Armando en Freymuth konden er terecht. Er zijn speciale stipendia voor beginnende kunstenaars en voor keramisten en kunstenaars uit ontwikkelingslanden.

Hen staat een geavanceerd arsenaal aan computergestuurde ovens ter beschikking (3 electrische, 5 gasovens en 3 testovens) die speciaal voor het Werkcentrum zijn ontworpen door Gerard Blaauw. Met de computer is het nu mogelijk de stook voortdurend te controleren; binnenkort zullen hij en zijn assistenten thuis via een modem kunnen ingrijpen als bijvoorbeeld de stroom in het Werkcentrum uitvalt. In technisch opzicht heeft het centrum een soort laboratoriumfunctie, er is bijvoorbeeld een glazuurwerkplaats waar door een specialist onderzoek wordt gedaan naar nieuwe samenstellingen en gedrag van glazuren. Die technologische ontwikkelingen spreekt vooral keramisten aan; Helly Oestreicher, die in het najaar in het Werkcentrum zal verblijven, is van plan er onderzoek te doen naar een procédé om aluminiumoxyde te kunnen gieten waarmee heel sterke, weerbestendige keramiek gemaakt zou kunnen worden. Al stellen ze zich nadrukkelijk niet op als docenten, Anton Reijnders en zijn assistenten geven technisch advies dat begint bij het ontwerp en eindigt bij het uit de oven komen.

“Ik zeg in principe nooit nee tegen een plan; als ik tegen een kunstenaar zeg: 'nou, dat is een hele uitdaging', denk ik bij mijzelf: dat lukt nooit!”, zegt Anton Reijders. “Een kunstenaar kun je niet lastigvallen met technische beslommeringen, dat doodt de fantasie. Iemand die net begint wordt zó ontmoedigd door al die beperkingen dat hij misschien het bijltje erbij neergooit.”

Scheuren, breuken en afgesprongen glazuur probeert hij zoveel mogelijk te voorkomen, ook al zijn die vaak nog te herstellen, maar ook hij moet het werk tenslotte overlaten aan de oven. Het verbaast het hem hoe er telkens toch meer mogelijk blijkt dan hij had gedacht. Bovendien vindt hij dat iets dat technisch gezien een beschadiging is, het kunstwerk lang niet altijd kwaad doet. “Die grote potten van Tony Cragg vertoonden hier en daar scheuren, maar bij nader kijken vond Cragg dat uitstekend: zo werd het keramische van het materiaal beter tot uitdrukking gebracht, vooral omdat het gebruikte glazuur een metaalglans had die dat verhulde.”

Wat keramiek technisch zo complex maakt, is het feit dat er honderden verschillende samenstellingen van klei bestaan en tientallen zogenaamde toeslagstoffen; de laatste worden met de klei vermengd om het stookgedrag te beïnvloeden en de klei een bepaalde textuur te geven. Dan is er nog de duur van de stooktijd en de wisselende temperaturen waaronder dat gebeurt; die schommelen gemiddeld tussen de 1000 en 1200 graden celsius. Te dik opgebracht glazuur kan de drager zozeer onder druk zetten dat het beeld scheurt. Veel van dat onderzoek wordt gedaan in laboratoria voor de grof-keramische industrie, maar in Den Bosch wordt Reijnders steeds weer met nieuwe eisen geconfronteerd.

Cruciaal

Reijnders heeft in de afgelopen twee jaar een groot verschil kunnen constateren tussen de aanpak van beeldhouwers en de werkwijze van schilders. Een schilder is veel meer geconcentreerd op oppervlak en kleur en daarin biedt glazuur unieke mogelijkheden. Het heeft dikte, het kan glans hebben en het kan gelaagdheid aanbrengen. Reijnders legt geestdriftig uit hoe een glazuursoort het transparante, ijle karakter van een aquarel kan aannemen, maar ook de volheid en intensiteit die aan olieverf verwant is. Voor beeldend kunstenaars is het erg moeilijk dat alle glazuur grijs is voordat het de oven in gaat, alleen door proeven te doen kunnen ze beoordelen welke kleur er na het stoken zal verschijnen. Zo heeft de in Duitsland wonende Japanse schilderes Sumiko Naganuma het grootste deel van haar verblijf in Den Bosch besteed aan het vinden van de juist samenstelling om een half-transparant koningsblauw te creëeren.

Beeldhouwers schrikken dikwijls terug voor het gebruik van kleur omdat ze sneller overzien hoezeer dat de massa van een sculptuur beïnvloedt. Beeldhouwer Ad Swinkels, die zojuist in het Werkcentrum zijn intrek heeft genomen, liet zijn beelden jarenlang zelfs niet bakken. “Bakken is helemaal niet cruciaal bij klei. Kijk maar naar huizen en hutten van leem.”

Jeanine Keizer is één van de weinige keramische vormgevers die op dit moment in Den Bosch werkt en ze zegt zich hier 'een buitenbeentje' te voelen. “Ik ben geen prater, zoals de meeste beeldende kunstenaars, ik doe doelgericht onderzoek naar de werking van glazuren, zodat ik daar thuis mee verder kan.” Anton Reijnders wijst erop dat keramisten de technische risico's veel meer overzien en Keizer blijkt inderdaad de enige die huivert bij de mogelijkheid haar werk 'aan de oven te verliezen'. De beeldhouwster Irene Fortuyn was verwonderd te merken dat sommige keramisten 'geloven in de ziel van klei' en Adam Colton kan maar niet begrijpen waarom keramisten steeds spreken over 'vormonderzoek' als hij informeerde naar het concept van hun werk. De meeste beeldende kunstenaars die ik in Den Bosch sprak vinden dat het er niet zozeer toe doet met welk materiaal je werkt, maar wat je erin wilt uitdrukken. Als ze niet uitgenodigd waren zouden ze zelf niet op het idee gekomen zijn om met klei te werken, maar nu ze in het centrum geweest zijn schaffen sommigen, zoals bij voorbeeld de beeldhouwers Pjotr Müller en Mark Manders, zelf een oven aan.

Aan de lange blankhouten keukentafel proberen ze uit te leggen wat de voors en tegens van klei zijn, terwijl artistiek leider Xavier Toubes een enorme berg sperziebonen dopt en directeur Adriaan van Spanje in een pan staat te roeren. Het Keramisch Werkcentrum heeft tijdens het avondmaal wel iets van een jeugdherberg, maar dan wel één waar de gasten in de watten worden gelegd.

Vrachtwagens vol klei worden hier voor je aangevoerd, zegt beeldhouwer Willem Speekenbrink, al moeten de kunstenaars alle materiaalkosten boven de 500 gulden wel zelf betalen. De aanwezigen zijn het erover eens dat je teveel kunt zwelgen in het materiële van klei, maar anderzijds zeggen de meesten dat ze 'iets moeten overwinnen' alvorens ze hun vingers erin duwen. 'Klei is poep, niks anders. Het kleeft aan je handen, het heeft een vieze kleur en je zakt erin weg', aldus Speekenbrink die toch altijd schaalmodellen in klei heeft gemaakt voor zijn beelden. De uitspraken over dit archaïsche materiaal -'klei is er altijd al geweest', 'Adam is uit klei gemaakt', 'Nederland is een land van klei' - zijn dikwijls tegenstrijdig als de eigenschappen van de klei zelf. 'Klei is willig', zegt beeldhouwster Els Otten terwijl sieraadontwerpster Nel Linssen juist meent dat klei 'dwingend' is.

Over één ding zijn kunstenaars en keramisten het eens: drie maanden is eigenlijk te kort, gezien de lange prduktietijd van grotere objecten. Daardoor heeft het Werkcentrum een 'pressure-cooker'-effect op de deelnemers: er is weinig tijd voor contemplatie, je moet stug doorwerken. Dat geldt in het bijzonder voor de buitenlandse kunstenaars, die in het weekend niet naar huis gaan. Harry Boom vindt dat er onderling weinig belangstelling is voor elkaars werk, er heerst soms een 'ellebogensfeer' en veel kunstenaars willen niet veel zeggen over hun bezigheden omdat ze bang zouden zijn dat anderen hun ideëen pikken. Kunstenaars die al meer bekendheid genieten, zoals Colton, Fortuyn en Urdarianu vinden dat de het peil van veel deelnemers te laag is. “Dat is jammer, er zou veel meer discussie moeten zijn.” Ook is het aantal van twaalf misschien te groot, vooral omdat ze niet tegelijk aankomen en weggaan maar de bezetting om de week wisselt. Maar over de technische begeleiding heeft iedereen niets dan lof. 'Het centrum heeft absoluut bestaansrecht' luidt de unanieme mening van kunstenaars en keramisten. Het is tijd om te eten. Xavier Toubes schept de borden vol, als een echte jeugdherbergvader: Indiaas, met veel kerrie.

    • Renée Steenbergen