Hoe blinkt nog je munt; De klassieke poezie van A.E. Houseman

A.E. Houseman, Een jongen van het land (A Shropshire Lad). Vertaling en nawoord door W. Jonker. Uitg. G.A. van Oorschot, 212 blz. Prijs ƒ 39,90

Op een morgen in mei 1914 behandelde professor A.E. Houseman, al jaren een van Cambridges beroemdste professoren, de man die Engeland weer een leidende rol in de klassieke filologie had bezorgd, op zijn college de zevende ode van Horatius' vierde boek, 'Diffugere nives, redeunt iam gramina campis'. Met zijn gewone mengsel van brille, humor en sarcasme ontleedde hij de verzen. Na afloop keek hij van zijn dictaat op en zei dat hij de laatste minuten de ode alleen als poëzie wilde zien. En met diepe emotie las hij hem voor, eerst in Latijn, daarna in zijn Engelse vertaling: 'Thaw follows frost; hard on the heels of spring/ Treads summer sure to die, for hard on hers/ Comes autumn, with apples scattering;/ Then back to wintertide, when nothing stirs.' “Dit”, zei hij na afloop gehaast, “beschouw ik als het mooiste gedicht uit de klassieke literatuur.” Even dachten de studenten dat de oude baas in huilen zou uitbarsten. Snel liep hij de zaal uit.

Dat had, zegt zijn biograaf R.P. Graves, professor Houseman nog nooit gedaan. Altijd had hij wetenschap en kritiek gescheiden gehouden. Overwegingen van esthetiek hoorden niet op zijn terrein thuis. Zijn terrein was het reinigen van corrupte teksten van door veel overschrijven ingeslopen onreinheden. Dat kon hij als niemand anders. Maar schoonheid was elders.

In zijn eigen gedichten bijvoorbeeld. In 1896 publiceerde hij zijn bundel A Shropshire Lad en hoewel de verkoop wat moeizaam op gang kwam - voor een deel voortvloeiend uit Housemans weigering aan bloemlezingen mee te doen - zijn de gedichten niet meer weg te denken uit de Britse canon.

Houseman kon de dingen goed uit elkaar houden. Zoals hij de man van wetenschap en de dichter scheidde, zo scheidde hij de publieke figuur die hij was van de homoseksueel die hij ook was, maar die hij slechts op een enkel reisje naar Frankrijk zijn verholen gang liet gaan. Goed, het was de tijd en het land er niet naar om zijn geaardheid te laten blijken. Maar men kan zich afvragen of Houseman dat in deze liberale tijd wel gedaan zou hebben. Ik denk van niet.

Hij had, om met Auden te spreken, nadrukkelijk gekozen voor het leven van een boekenwurm, zijn tranen bewaarde hij als vieze plaatjes in een la. Hij hield van lekker eten maar hij zou vooral van geweld en armoe gehouden hebben. Het gedicht dat Auden aan Houseman wijdde, was vol venijn. 'In savage footnotes to unjust editions/ He timidly attacked the life he led/ And put the money of his feelings on/ The uncritical relations of the dead/ Where only geographical divisions/ Parted the coarse hanged soldier from the don.'

En Auden had gelijk. De poëzie van Houseman is vaak van een klassieke pracht. Maar hier en daar ook wat klef. Vol militarisme en marcherende jongetjes en met een meneer die zegt: 'Je raakt soms een mouw of/ een schouder, maar durft niet te vragen:/ zal jij in je glorietijd sterven?/ Hoe blinkt nog je munt/ als je'm straks weer bezorgt bij/ degeen die hem ééns heeft geslagen.'

Deze vertaling is van W. Jonker, de man die de Onegin zo prachtig vertaald heeft. En ook hier heeft hij een prestatie geleverd. Houseman mag toch niet klagen over zijn Nederlandse bezorgers, want ruim vijf jaar geleden publiceerde Marco Fondse zijn mooie boekje Dit dwangbestel van mens en God, met daarin ruim dertig vertaalde gedichten. Fondses uitgangspunt was dat men tegenwoordig Houseman niet anders meer lezen kon dan als een homoseksueel dichter. Jonker is het daar niet mee eens, of althans in zijn vertaling blijft hij, zoals hij zegt een hetero, die Houseman ziet als een representant van allen die zich een vreemdeling op aarde voelen.

Mij lijkt dat een beter uitgangspunt. Ooit hoorde ik een gewaardeerd lid van de Haagse penose gedichten van Houseman gebruiken om een dame het hof te maken. Echte literatuur is alom inzetbaar. Dat laat onverlet dat we met de vertalingen van Fondse en Jonker rijker geworden zijn, op welk front dan ook. Over het verschil oordele men zelf:

Houseman over Narcissus:

A Grecian lad, as I hear tell/ One that many loved in vain/ Looked into a forest well/ And never looked away again./ There, when the turf in springtime flowers/ With downward eye and gazes sad/ Stands amid the glancing showers/ A jonquil, not a Grecian lad.

Fondse:

Een Griekse knaap, is mij verteld/ op liefde van geen mens gesteld/ zag eenmaal in een wel in 't bos/ zijn beeld en 't liet hem niet meer los./ Als 't bostapijt weer leven vat/ staat daar, het oog in droefenis/ omlaag, in regen glinsternat/ geen Griekse knaap, maar een narcis.

Jonker:

Een Griekse knaap, door licht omspeeld/ en menigmaal vergeefs bemind/ keek in een vijver naar zijn beeld/ en werd voor ieder ander blind./ Nóg staat daar als het land ontbloeid/ omlaagziend, kuis, melancholiek/ soms door een voorjaarsbui besproeid/ een narcis, en geen jonge Griek.

    • Willem Otterspeer