Het meisje

Vanuit het zijraam van mijn kamer kijk ik over de weg. De dikke eik met de wratten heeft drie gezichten onder elkaar. Ze kijken mij alle drie recht aan. Meestal ben ik om deze tijd al op school. Maar nu blijf ik nog een dagje thuis. Dat is het leukste van ziek zijn.

Er komen veel kinderen langs. De school aan de Wetering begint over vijf minuten. Meisjes laten zich trekken door jongens met een helm op. En anderen zitten achterop en waaien met hun benen. Maar het meisje heb ik vanmorgen nog niet gezien.

Ik sta te wachten. Het is woensdagmiddag. De enige dag waarop ik eerder thuis ben dan de meeste kinderen uit de buurt. En op woensdag komt zij om halfdrie voorbij. Het is al vijf over half. Ik rij verder in de richting van de hoek. Vandaar heb ik een goed zicht op het fietspad dat langs de school loopt.

Mijn hart springt naar mijn keel. Daar komt ze. De zon schijnt op haar leren jasje, op haar lange bruine haren en op de gespen van haar zwarte laarzen. Ik kijk de andere kant op, maar als ze voorbij is race ik vlug achter haar aan.

Mijn schrijfvriend werd verliefd op een heel mooi meisje van een Italiaans eiland. Hij stapte op haar af en zei: ik hou van jou. En nu wonen ze al meer dan dertig jaar bij elkaar. Het meisje in de klas bij mijn neefje Robert zei in de pauze: ik ben op jou, wil jij met mij? Hij was niet op haar en wilde ook niet met haar. Maar ze trok hem aan z'n das naar de glijbaan. En daar moet hij nu elke dag met haar vanaf.

Ik sta op de hoek te wachten of rij langs haar huis. En als haar broer vraagt of er iets is, doe ik net of ik daar toevallig even stilsta. Maar vandaag kwam ik haar tegen en heb ik hoi tegen haar gezegd. De eerste keer gebeurde er niets. Toen zei ik het nog een keer. “Hoi.” Ze draaide zich om, keek me aan, reed weg en riep toen: “dag jongeeeeu”.

Nou ja.