Het is weer om een geriefelijk bordeel te openen; Opmonterende brieven van Bert Voeten aan Bert Bakker

Bert Voeten: Neem je bed op en wandel. Brieven aan Bert Bakker Senior 1954-1969. Uitg. De Bezige Bij, 136 blz. Prijs ƒ 29,90

“Begrijp mij goed,” zei Bert Voeten in 1959 in een interview, “ik ben zeker niet van plan om onder mijn vertalingen als onder een soort tombe te worden begraven.” Het vraaggesprek vond plaats omdat Voeten dat jaar voor zijn lucide toneelvertalingen was bekroond met de Nijhoff-prijs, nota bene genoemd naar dezelfde Nijhoff die acht jaar eerder tegen de Haagse Comedie had gezegd dat hij geen tijd had om Fry te vertalen, en dat ze het maar eens aan Bert Voeten moesten vragen. Sindsdien namen de vertalingen hem zozeer in beslag dat hij nauwelijks meer toekwam aan ander literair werk.

“Momenteel voel ik me wat de literatuur aangaat een soort nutteloze toeschouwer,” noteerde hij in 1968 in een brief aan zijn vriend Bert Bakker senior. “Het hóeft allemaal niet meer zo erg voor mij. Over het stadium van het 'driftig kunst produceren' ben ik al lang heen. De geringe pep is natuurlijk voor een deel te wijten aan mijn werk voor het toneel. Ik heb er mijn handen vol aan...” En nog eens, in datzelfde jaar: “Dat toneel vreet me op, jongen. Ik word er de godsganse dag bij betrokken...”

Vlak voordat hij stierf, in 1992, had Bert Voeten zijn brieven aan Bert Bakker geschikt gemaakt voor publikatie. De bundel die hem voor ogen stond, is nu verschenen met een in- en uitleiding van zijn vrouw Marga Minco. Hij bestrijkt een periode van vijftien jaar, waarin Voeten een groot aantal brieven schreef die bedoeld waren om de met zijn gezondheid sukkelende Bakker op te monteren. Veel hartekreten staan er dan ook niet in. Hooguit een paar in het begin, toen Bakker als uitgever nog de macht had voorschotten te verstrekken en het gezin Voeten voortdurend in prangende geldnood verkeerde. De hoofse manier waarop Bert Voeten in de brieven zijn huishoudboekje open legt (waarin alleen het statiegeld van de flessen soms nog uitkomst kon bieden) geeft een typerend inkijkje in het modale schrijversbestaan van de jaren vijftig. De deurwaarder was een vaste bezoeker en één keer, in 1961, was de datum van de openbare verkoop van alle bezittingen al vastgesteld. Hoe dat is afgelopen, vermeldt de historie niet, want Marga Minco geeft ter inleiding alleen enkele hoofdlijnen. De afzonderlijke brieven zijn verder niet geannoteerd.

Maar zodra er - mede door een dienstverband met de Haagse Comedie - enige regelmaat in de inkomsten kwam, wilde Bert Voeten zijn vriend niet meer lastig vallen met privé-problemen. Als hij zich al eens een enkele verzuchting veroorloofde, was die grappig genoeg geformuleerd om de uitgever te amuseren. Zoals in de natte zomer van 1961, toen de vertaalplicht hem weer eens aan het schrijfbureau kluisterde: “Het is weer om een geriefelijk bordeel te openen, naar Casablanca te vliegen, lallend in een warme kroeg te zitten, kastje-drie te gooien, in je blote kont een wit jacht de haven van Syracuse binnen te sturen, opium te roken, een paard te roskammen, de paus te bezichtigen - alles beter, heilzamer, radicaler dan hier de schimmelziekte op je lijf te halen.”

De brieven moeten Bert Bakker, die meestal telefonisch antwoordde, veel plezier hebben gedaan. Voeten haalde herinneringen op, droeg een paar anekdotes bij aan de literaire petite histoire en vertelde tragikomische verhalen over zijn jacht op een nieuw huis en de verhuizing die daarop moest volgen. Voorts sprak hij zijn steeds zieker wordende vriend moed in. De titel van de bundel is ontleend aan een van die passages: “Neem je bed op en wandel, vriend.” Bert Bakker stierf in 1969. De vraag is hoeveel publikabele brieven Bert Voeten daarna nog aan anderen heeft geschreven.

    • Henk van Gelder