Goliath aan de Levantkade; De solide architectuur van Hans Kollhoff

De menselijke wezens lijken heel diep weggestopt in de ruim driehonderd woningen en die het woongebouw van Hans Kollhoff op het Amsterdamse KNSM-eiland bevat. Maar komt er toevallig een bewoner tevoorschijn, dan blijkt hij innig tevreden te zijn. “Kollhoffs architectuur en stedebouw is streng en monumentaal zonder ooit theatraal te worden.”

In de Arcam-galerie op het Waterlooplein in Amsterdam is een kleine tentoonstelling te zien over de woningbouw in het Oostelijk havengebied met het KNSM-eiland in de hoofdrol. Daarnaast worden de stedebouwkundige plannen getoond van het Java-eiland (Sjoerd Soeters) en van Borneo-Sporenburg (West 8). T/m 16 april. Di. t/m za. 13-17u.

In meer dan één opzicht is het woongebouw van Hans Kollhoff op het Amsterdamse KNSM-eiland magnetisch. Het reusachtige, bijna zwarte bouwwerk is van vele kanten van veraf te zien, dus de aantrekkingskracht kan over een grote afstand zijn werk doen. Het is onontkoombaar: wie de geheimzinnige woonsilo in het vizier krijgt moet er op af om hem van nabij te bekijken. En niet alleen te bekijken, ook om te betasten, de gladde, smalle, blauwgrijze bakstenen te voelen, over het lichte hout (Oregon pine) van de prachtige deuren te wrijven, handelingen die moeten bevestigen dat de uitstraling in solide vorm en materie is gegoten.

Balkonserres

Het was op een koude maar glasheldere, zonnige ochtend dat ik me voor het eerst door het immense bouwwerk - het is in totaal honderdzeventig meter lang en zevenenvijftig meter breed - liet aantrekken en het V-vormig middenplein betrad dat de twee afzonderlijke blokken van elkaar gescheiden houdt. Alleen aan de noordzijde, de kant van de straat, is de scheiding niet compleet maar vier van de negen verdiepingen hoog, zodat het binnen- tevens buitenplein wordt betreden door een hele smalle, hoge poort. De zon stond nog laag en de twee bouwdelen die hier met schuine, geknikte gevelwanden, naar het water toe scherp uiteenwijken, zorgden voor ijzingwekkend strakke vlakken schaduw en licht. Daardoor kreeg het betreden door een nietige enkeling, want zo voelde ik me tussen die enorme streng geometrische formaten, het karakter van een dramatische opkomst.

Aan de waterkant, aan de basis van het lang uitgerekte driehoekige toneel, staat het bakstenen huis dat als een David de Goliath van het omringende bouwwerk heeft bedwongen. Het vierkante huis aan de Levantkade mocht niet worden afgebroken en Kollhoff heeft er dankbaar gebruik van gemaakt om de lange gevel aan de zuidzijde er omheen te vouwen. Het is een theatraal gebaar waarmee de twee gevelwanden het huis beschermen door het te ontwijken, door er rakelings langs te scheren. Ook de daken doen mee aan het elegante spel. Vanaf beide uithoeken neigen zij in een lange, strakke, hellende beweging naar beneden, tot zij, nadrukkelijk niet in het midden van het complex, bijna tot de hoogte van het platte dak van het niet eens zo bijzondere Amsterdamse-Schoolhuisje zijn neergedaald. Vooral deze opvallende beweging aan de zuidzijde geeft aan het woongebouw van Kollhoff zo'n eigenaardig, intrigerend karakter. Het gebouw is ogenschijnlijk te trots, te meedogenloos om zich om iets anders te bekommeren dan om zichzelf. Dan is het bijna aandoenlijk om te zien hoe het zich buigt over het oude, maar moderne huis dat zich voor de gelegenheid flink heeft schoongeboend.

Het komt geloof ik vooral door de ramen die heel egaal en vlak in de gevels aan de zuidkant zijn opgenomen, dat de Bauhaus-traditie zich opdringt. Ik schrijf in de vorige zin 'geloof ik' omdat nooit een enkel materiaal, een enkele kleur, of een enkele vorm in staat is om een hele traditie in het geheugen wakker te roepen. Het is altijd een combinatie van beelden die verantwoordelijk is voor een bepaalde, herkenbare impressie. In dit geval is het de combinatie van dunne, zwarte stalen lijsten om de horizontale ramen, de platte, zachtglanzende, grijsblauwe baksteen en vooral de wijze waarop de ramen getweeën, naar buiten stekend openvouwen, waarom het Bauhaus zich bij mijn eerste bezoek aandiende. En vermoedelijk is de sterk grafische vorm die de schaduw van het opengevouwen raam op de gevel wierp, nog het meest verantwoordelijk voor die herinnering aan de beroemdste, Duitse school van het modernisme. Ik keek er naar onder eenzelfde hoek, schuin omhoog, als waaronder indertijd de raamstroken van het gebouw van Walter Gropius in Dessau vaak door Bauhausleerlingen zijn gefotografeerd. Zo kan zelfs de hoek waaronder je naar iets kijkt van invloed zijn op de herkenning van een beeld.

Overigens zijn de ongelooflijk sierlijk naar buiten openvouwende ramen onderdeel van de balkonserres die Kollhoff aan de zuidkant in zijn woongebouw heeft opgenomen. Dit zijn geen echte balkons omdat ze met ramen zijn afgesloten en geen echte serres omdat de ramen zijn gevat in zogenaamde open sponningen, een soort kieren van een paar centimeter breedte rondom elk raam. De balkons zijn gemaakt om te voldoen aan de in de sociale woningbouw wettelijk voorgeschreven buitenruimte en de kierende serre-ramen komen de bewoners tegemoet die geneigd zijn om hun balkon bij het interieur te betrekken.

De noordgevel grenst aan de centrale boulevard die de straks met dubbele bomenrijen omzoomde ruggegraat vormt van het stedebouwkundig plan dat Jo Coenen in 1989 voor het KNSM-eiland heeft ontworpen. De gevelwand aan deze kant laat zich weliswaar in de volle onafgebroken lengte vertonen, maar valt visueel toch in twee vleugels uiteen. In het oostelijke gedeelte lopen de galerijen boven de vierde etage aan de buitenkant van de gevel en zijn daar opgenomen in een reusachtige, compleet glazen uitbouw. Vanaf deze smalle binnenstraten - bewoners met hoogtevrees zullen zich hier niet gelukkig voelen - is het uitzicht over het water adembenemend, maar het uitzicht uit de huizen die aan de binnenstraten liggen, is aan deze kant nihil of geheel afwezig. In het oostelijk gedeelte van de noordelijke vleugel zijn de galerijen naar binnen gelegd en vormen met de bakstenen balustrade en pilaren een markante arcade hoog in de lucht. Ook in de hier gelegen appartementen en maisonnettes lijken de bewoners verstoken van de grote geschenken die een verblijf op dit betrekkelijk smalle eiland natuurlijk zouden moeten opleveren, licht, lucht, zon en vooral uitzicht, overvloedig veel uitzicht.

Spijkerbroek

Met zijn kolossaal woongebouw op het KNSM-eiland heeft Hans Kollhoff (48) een indrukwekkend, sculpturaal werkstuk gerealiseerd dat niet alleen verband lijkt te houden met Le Corbusier en de moderne traditie waartoe ook de ernstige, vooroorlogse Berlijnse bouwkunst behoort, maar ook met de uit de negentiende eeuw voortgekomen stedebouw met de grote boulevards en de gesloten woonblokken van Wenen, Berlijn en het Parijs van Haussmann. Kollhoffs architectuur en stedebouw - een gebouw met een dergelijke omvang is vanzelf een vorm van stedebouw - is streng en monumentaal zonder ooit theatraal te worden, zoals bijvoorbeeld bij de decorbouwer Ricardo Bofill het geval is. Het woongebouw van Kollhoff is door en door solide en illustreert zijn overtuiging dat de architect in deze tijd moet terugkeren naar het wezenlijke, professionele ambacht, naar het tastbare en zichtbare métier, in plaats van genoegen te nemen met het ontwerpen van vrolijke, dunne façades, omdat de verwezenlijking van de rest van het bouwwerk nu eenmaal is voorbehouden aan specialisten buiten de architectuur.

De koele ongenaakbaarheid van zijn woongebouw op het KNSM-eiland is opvallend fotogeniek, onder het lange lint van stijgende en dalende, aluminium daken, maar de beelden onthullen naast de schoonheid van het magistrale ontwerp, ook een onbehaaglijk aanvoelend tekort, namelijk het ontbreken van vrijwel elke verwijzing naar menselijke aanwezigheid. Goed, er hangt ergens een spijkerbroek uit zo'n mooi, naar buiten opengevouwen, ijl raam, maar dat beeld wekt alleen maar de indruk dat het raam daar niet voor is bedoeld. In de holle, betonnen portalen en trappenhuizen scharrelen ouders onwennig met kinderwagens. De brievenbussen in de schitterende houten deuromlijstingen zijn zo ondiep dat zij geen zaterdag editie van een dagblad kunnen bevatten. De buitentrappen zijn te steil, de balustrades te hoog en de binnenhoven maken de lugubere indruk van een gevangenisluchtplaats. Voor het donkere, driehoekige binnenplein in de oostvleugel is dat nog teveel gezegd, daar kunnen de bewoners niet eens komen, of zij moeten met gevaar voor eigen leven uit een raam klimmen.

De menselijke wezens lijken heel diep weggestopt in de ruim driehonderd woningen die dit gebouw bevat. Maar komt er toevallig eens een bewoner tevoorschijn, dan blijkt hij innig tevreden te zijn met de ruimte die hem daarbinnen ter beschikking staat. Als de beschouwer dat hoort, trekt hij zich bescheiden terug. Met de drie grote, gesloten woonblokken die straks, volgens het monumentale plan van Jo Coenen, het KNSM-eiland zullen domineren, zal een voor Amsterdam ongewoon stukje metropolitische stad zijn ontstaan. Hoewel nog lang niet voltooid - het ronde woonblok van Jo Coenen aan de kop van het eiland en de woontoren van Wiel Arets tegenover het gebouw van Kollhoff zijn nog nauwelijks in staat van wording - is het KNSM-eiland nu al een geweldige trekpleister. Op zondagmiddag kun je op de nog ongeplaveide boulevard over de hoofden lopen. Het woon-eiland zal ongetwijfeld een succes worden en het gebouw van Kollhoff het meest gefotografeerde bouwwerk van het komende jaar. Maar het blijft bij mij knagen dat ik niet begrijp waarom op een plaats die schreeuwt om een open, extravert gebouw het toppunt van introvertie moet verrijzen. Het zal ongetwijfeld het keurslijf van wetten en regels zijn, dat de verschijning op dit eiland heeft voorkomen van een woongebouw dat zich onbekrompen uitlevert aan licht, lucht, ruimte, zon en water. Het gebouw dat er nu staat heeft weliswaar een magnetische aantrekkingskracht, maar het is zwaar, zwijgzaam, gesloten en geheimzinnig. Doodzonde dat de eigenschappen van het woongebouw op deze unieke plaats niet van een ander karakter zijn, namelijk: licht, zacht zingend, open en avontuurlijk.