'Gebruik de groei als wapen tegen financieringstekort'

DEN HAAG, 18 MAART. Een verdere verlaging van het financieringstekort moet prioriteit hebben voor het volgende kabinet. Meevallers als gevolg van een hogere economische groei moeten daarvoor worden gebruikt. Dat zei drs. G. van Maanen, directeur-generaal rijksbegroting van het ministerie van financiën, gisteren op een symposium van het Instituut voor Onderzoek van Overheidsuitgaven.

Van Manen onderstreepte dat lagere rentelasten op den duur vanzelf ruimte scheppen voor vermindering van de lastendruk. De tegenstelling tussen verlaging van het tekort en het verminderen van de lasten is op termijn bezien dan ook een schijntegenstelling, aldus de topambtenaar.

In 1974 bedroeg de staatsschuldquote nog maar 22,4 procent van het netto nationale inkomen. Aan het einde van 1994 zal die staatsschuldquote uitkomen op ongeveer ruim 74 procent van het netto nationale inkomen. Direct gevolg van de stijging van de staatsschuld is een stijging van de rentelasten. Bedroegen de rentelasten in 1974 nog ongeveer 2,5 miljard gulden, in 1994 zullen de rentelasten oplopen tot ruim 28 miljard gulden. Dat is meer dan de ministeries van VROM en WVC samen jaarlijks uitgeven.

In het nieuwe Centraal Economisch Plan van het Centraal Planbureau (CPB) staat dat het financieringstekort en de collectieve lastendruk hoger uitvallen dan tot voor kort nog werd verwacht. Bovendien kampt het kabinet met mogelijke tegenvallers van 3,7 miljard gulden in 1995. Het feitelijke financieringstekort komt volgens het kabinet dit jaar uit op 4,1 procent van het netto nationaal inkomen. Dat is meer dan de 3,9 procent waar minister Kok (financiën) eind vorig jaar nog vanuit ging. Voor volgend jaar voorspelt het CPB een tekort van 3,5 procent.

Bij het aanzuiveren van tekorten maakt het kabinet volgens het CPB in 1994 opvallend veel gebruik van zogenaamde incidentele dekkingen. Het gaat daarbij om allerlei maatregelen die het financieringstekort niet duurzaam beïnvloeden, zoals verkoop van staatsbezit, versnelde inning van belastingen en het schuiven met de rijksbijdragen van het kinderbijslagfonds. Door deze incidentele dekkingen van het financieringstekort gaat volgens het CPB “het zicht op de onderliggende ontwikkeling van het financieringstekort van het rijk verloren”. Het CPB hanteert dan ook, in afwijking van het ministerie van financiën, een definitie van het zogeheten geschoonde tekort. Dat is het feitelijke tekort plus de incidentele dekkingen. Dit geschoond tekort loopt op van 3,9 procent van het nationaal inkomen in 1993 tot 5,7 procent in 1994. Een verschil van 9 miljard gulden.

Het Centraal Planbureau vindt, evenals De Nederlandsche Bank, dat incidentele dekkingen niet mogen worden meegerekend bij de vaststelling van het financieringstekort. Het kabinet accepteert deze zienswijze niet. Volgens Financiën vindt al jarenlang een discussie plaats tussen het ministerie en het Planbureau over de definitie van het financieringstekort. Het ministerie bestempelt de controverse als “folklore tussen macro-economen”.

Ook de collectieve lastendruk (belastingen en sociale premies in procenten van het nationaal inkomen) valt hoger uit dan verwacht. In het regeerakkoord is afgesproken dat de collectieve lastendruk tijdens de huidige kabinetsperiode zou worden gestabiliseerd op het niveau van 1990. Daarbij werd uitgegaan van 53,7 procent, maar dat jaar kwam de lastendruk feitelijk uit op 52,6 procent. Sindsdien is het percentage steeds hoger geweest. In 1991 bedroeg de lastendruk 54,7 procent van het nationaal inkomen, in 1992 54,6 procent, in 1993 55,7 procent en dit jaar 54,2 procent. Dat is weliswaar minder dan vorig jaar, maar ruim boven de norm van het regeerakkoord, ondanks de vorige maand door het kabinet aangekondigde lastenverlichting. Ten opzichte van de Startbrief van eind 1989 heeft het kabinet volgens het CPB 19 miljard gulden aan ombuigingen gerealiseerd.

De financiering van de lastenverlichting van 5 miljard gulden die het kabinet vorige maand in het vooruitzicht heeft gesteld, is volgens het CPB “niet probleemloos”. Volgens het Planbureau is het noodzakelijk dat hiervoor extra wordt bezuinigd.