Fransen en Duitsers

HET VERENIGD EUROPA staat onder zware druk van het verzet van Britten en Spanjaarden tegen een nieuwe, een tikkeltje meer supranationale stemverhouding in de Raad van Ministers.

Onderhandelingen daarover slepen zich voort. De uitbreiding van de Unie met Noorwegen, Zweden, Finland en Oostenrijk dreigt er zelfs op stuk te lopen. Maar voor de langere termijn zou de zich aankondigende frictie tussen Frankrijk en Duitsland wel eens riskanter kunnen zijn. De Franse ambassadeur in Bonn heeft deze week tegenover gerenommeerde Duitse bladen uiting gegeven aan de argwaan die de laatste tijd in Parijs ten opzichte van Duitsland is ontstaan. Die argwaan reikt van de voorgenomen verplaatsing van de regering naar Berlijn via Duitse ouvertures richting Rusland tot aan de botheid waarmee de Duitse minister Kinkel de Noren de Unie zou hebben binnengeloodst. De bewindsman zou volgens Franse bronnen bijvoorbeeld hebben gedreigd Spanje 'de ruggegraat te breken' als dat land zich in het visdispuut niet soepeler opstelde.

De variatie aan redenen die van Franse kant tegenover de Duitse pers ter verklaring van de eigen zwartgalligheid is geopperd, wijst eerder op onzekerheid dan op een uitgekristalliseerde kritiek. De toevoeging dat de Fransen de Duitsers vooral wilden attenderen op een groeiende achterdocht tegenover Duitsland bij de kleinere lidstaten van de Unie suggereert dat Parijs zijn ongenoegen nog wat heeft willen maskeren.

Vast staat dat Duitsland zich sterk heeft gemaakt voor het wegnemen van de laatste obstakels voor Noorse toetreding tot de Unie. Kinkel heeft er geen geheim van gemaakt dat hij zich daarvoor zeer nadrukkelijk heeft ingezet. Hoe nadrukkelijk dat 'in Schwäbischer Mundart' is geweest, zal waarschijnlijk buiten het diplomatieke roddelcircuit onbevestigd blijven. Maar de reactie in Parijs is ondubbelzinnig: vóór de Duitse hereniging had geen Duitse bewindsman binnen de EG durven spreken op de toonhoogte en met het volume die nu door Kinkel zijn gebruikt.

DE FRANSEN ZIEN met lede ogen de verschuiving van het zwaartepunt van de Unie in noordelijke richting. De in Duitse studies aanbevolen rol voor Frankrijk als kampioen van het armlastige Europese zuiden is Parijs anderzijds net iets te mager om zich daarmee tevreden te stellen. De Franse diplomatie had nog wat meer 'verdieping' in de Europese eenwording willen realiseren alvorens de Twaalf tot Zestien waren uitgegroeid. De verankering van Duitsland in een door Frankrijk geleid politiek en militair Europa is met 'Maastricht' en het omstreden Eurokorps in Franse ogen nog onvoldoende verzekerd. Uitbreiding nu verzwakt bovendien de kans op verbetering later. Meer varkens maken de spoeling dunner. Daarover bestaat in Parijs geen misverstand.

De gelatenheid waarmee destijds in Nederland de Duitse hereniging is aanvaard, zag zich niet weerspiegeld in de Franse (en Britse) reactie. Afgezien van de aanvankelijke en nogal cryptische opmerking van premier Lubbers dat de grenzen in Europa onaangetast moesten blijven, zat Den Haag op de Amerikaanse lijn. Maar president Mitterrand gaf, op bezoek in Kiev, openhartig uiting aan zijn twijfels. Nu houdt Parijs er rekening mee dat zijn vrees van toen alsnog wordt bevestigd.

DE DUITSE DIPLOMATIE heeft haar eigen motieven om met Moskou een indringend gesprek aan te gaan. De Duitsers hadden zo hun aarzelingen over het juist door Frankrijk gewilde verharde optreden van de NAVO in Bosnië, dat uitmondde in het ultimatum om Sarajevo. Gedurende de week waarin de Russen de Serviërs bewerkten om aan de geallieerde eisen te voldoen hielden Kinkel en zijn Russische ambtgenoot Kozyrev min of meer toevallig uitvoerig beraad in Athene.

Vervolgens hebben de Duitsers zich opgeworpen als bemiddelaars in de Baltische kwestie, en zij hebben de Russen, vermoedelijk niet tevergeefs, opgeroepen toch vooral hun troepen voor de afgesproken datum uit Estland en Letland weg te halen. Weliswaar zal Parijs tegen deze demarche geen principiële bezwaren aanvoeren, maar het heeft graag tijdig inzicht in Duitse diplomatieke manoeuvres. En uit het wrokkige Franse commentaar mag worden opgemaakt dat aan consultatie laat staan coördinatie het nodige begint te ontbreken. Zoals overigens ook een tijdlang het geval is geweest rondom het Duitse drijven naar erkenning van een onafhankelijk Kroatië een paar jaar geleden. Overigens, het toenmalige gemis aan gelijkgestemde duidelijkheid tegenover Servië breekt ons nu op, erkennen de Fransen.

VAN FRANSE KANT wordt nog eens onderstreept dat Frans-Duitse samenwerking in het zich verenigende Europa het eerste gebod moet blijven. Dat Parijs het in de eigen periferie doorgaans niet zo nauw met dit voorschrift heeft genomen, heeft, voorzover bekend, in Bonn altijd op begrip mogen rekenen. Maar nu Duitsland eveneens buiten zijn grenzen invloed probeert uit te oefenen, hebben de Fransen een probleem. Gezien de historische risico's in de betrokken regio's, is dat begrijpelijk. Maar de ontwikkelingen daar kunnen nu eenmaal niet worden bevroren totdat Europa zich mogelijk eens naar Frans model zal hebben gevormd. De Duitsers beginnen zich dat te realiseren.