Excuus

Exact zeven uur, zonder pils en pinda's, naar voetbal gekeken. Al die tijd als een bevroren pelgrim op de bank gelegen, gelaserstraald door de stanza's van Savicevic, Secretario en Koeman. Me met het geloof van een dorpsidioot in een betere wereld door de krakende stemmen van de NOS, BRT, TF1, BBC en Euro-Sport een werkdag lang laten optillen van het stadion Ennio Tardini naar Nou Camp, van Porto naar Bremen, van Torino naar Galatasaray.

Om wat te zien? Voetbal als avondvullende centrifuge: het blijft een mysterie. Iedere keer weer voel ik me opgenomen in een vluchtkoers die niet meer te stoppen is. Werk, gebed en liefde moeten dan wijken tot het laatste fluitsignaal - meestal bij Euro-Sport. Zou het te maken hebben met de banale hoogmoed van een mens van middelbare leeftijd die wil dat de dingen namens hem gebeuren? En die dus Stoichkov heeft ingehuurd voor een felle tackle, Asprilla voor een sublieme dribbel en Koeman voor een gloeiende vrije trap? Deelachtig willen zijn aan een triomftocht van wetenschap en techniek, van jeugd en onschuld, dat moet het zijn. Iedere voetbalavond als repetitio van de eerste maanlanding, die opwinding.

Het is onweerstaanbaar. Kijkend naar Overmars en Brolin val ik uit mijn autisme. Dan ontstaat het enige moment van geloof in de democratie van de kunst. En ook: voetbal is een vorm van aanbidding. Een vergissing van hoog gehalte. Want altijd weer eindigt zo'n voetbalavond in het schuldige besef dat er geknield werd voor de verkeerde totempaal, voor het vervalste ikoon. Ik weet dat Van Gaal en Scala in hun stugge roerloosheid op de bank alleen maar Happel nabootsen. En toch, dit déja vu verveelt niet. De coaches blijven in hun versteende pose de illusie wekken van liefde, poëzie en revolutie.

Er is nog meer troost. Voetbal neemt de ondraaglijke ongelijkheid weg tussen de mensen en de dingen. Het haalt de sociale hiërarchie overhoop. Elke rush van Danny Blind ornamenteert de koninklijke macht van de proletariër. Ajax is dadaïsme: alles versplintert, we zitten met z'n allen in een zandbak, zonder rang en stand. Ajax als de zelfbedachte leugen die je meeneemt naar steden en cafés waar het echte leven komt aanwaaien, dát moet de geheime fascinatie zijn. Met andere woorden: de voetbalclub als echokamer van nieuw leven, week na week, seizoen, na seizoen. Ook bij verlies. Opportunistischer kan doodsangst niet zijn.

Het blijft natuurlijk een zwak excuus om zeven uur lang als een zappende mummie naar voetbal te kijken. Uitgerekend op de dag dat de poëzieweek is begonnen die normaal gesproken meer te zeggen heeft over de mensen van Hebron en Sarajevo en over de onzin van het bestaan. Hoe wonderschoon de vrije trappen van Koeman ook waren, het blijft dus een verloren avond. Een verdwijntruc. Er knaagt iets van schuldig verzuim, van angst ook dat ik de luie lust waarmee ik weer een avond lang mijn leeftijd wist te verbergen vroeg of laat zal bekopen. In het bed zoek ik amechtig naar beelden die beklijven. Ze zijn er niet.

Of toch?

In de 55ste minuut van de wedstrijd Parma-Ajax wordt Frank Rijkaard gewisseld. Hij sjokt als een oude man naar de zijlijn. Het lijkt wel of hij honderd kilo weegt. Rijkaard op weg in de treurige mars naar het bejaardenhuis: het beeld is onverdraaglijk. Hij weet het zelf: dit is het einde van een carrière. Een wissel als publiek afscheid, groter kan een voetbaldrama niet zijn.

Er is geen weg terug. De mooiste voetballer van Nederland is door de tijd ingehaald. Rijkaard als het trait d'union van het clair-obscur, sluipend en dansend op de rand van een wolkje, jazz in de heupen, blues in de ogen, er blijft niets meer van over. In één klap is alle verleden weg. Ik hoop dat het sneeuwt in Amsterdam.