Elke morgen hoor ik wie er nu weer vermoord zijn; Rachid Mimouni over het Algerijns fundamentalisme

“Algerije, maar ook andere landen zijn in groot gevaar,” zegt de Franstalige Algerijnse schrijver Rachid Mimouni. In romans en pamfletten waarschuwt hij voor de gevaren van het fundamentalisme. Inmiddels is hij zelf verschillende keren door islamitische rechtbanken ter dood veroordeeld.

Rachid Mimouni: Straf voor het leven; De bastaarden van de Profeet; De vloek. Alle drie uitgegeven door uitgeverij Thoth.

Een reeks moordaanslagen van islamitische fundamentalisten heeft het afgelopen jaar in Algerije veel intellectuelen uit hun geboorteland verdreven. Diplomaten schatten dat de afgelopen twee jaar tenminste drieduizend mensen in het politieke geweld zijn omgekomen. Toch zijn er nog altijd schrijvers en journalisten die weigeren voor de terreur te wijken. Eén van hen is Rachid Mimouni, een van de bekendste franstalige Algerijnse schrijvers. Mimouni (1945), auteur van zes romans en een met de Prix Albert Camus bekroond pamflet tegen het fundamentalisme, is de laatste maanden verschillende keren door (illegale) islamitische rechtbanken ter dood veroordeeld, maar hij kiest ervoor zijn land op dit moeilijke moment niet in de steek te laten. “Algerije is mijn land en het is voor mij van groot belang om daarmee in verbinding te blijven,” zegt hij als ik hem spreek in het huis van een Parijse kennis. Hij is even in Frankrijk voor een conferentie en grijpt de gelegenheid aan om aandacht te vragen voor de recente gebeurtenissen.

Een van de ergste dingen die een land in Mimouni's ogen kunnen overkomen is de desintegratie door het verlies van het intellectuele kader. Rachid Mimouni, die van huis uit Arabisch spreekt en die zichzelf als een gelovig moslim beschouwt, heeft het gevoel dat zijn land mensen als hij nodig heeft. Hij is een bekend econoom. Tot het hem vorig jaar te gevaarlijk werd, doceerde hij ontwikkelingseconomie aan de universiteit van Algiers. Hij vreest dat er in zijn land, als het zo door gaat, een 'drama' ontstaat zoals nu in Libanon. “Daar woonden de briljantste intellectuelen van de Arabische wereld, maar nu zijn ze allemaal in Engeland, Frankijk en de Verenigde Staten. Ook toen de burgeroorlog voorbij was zijn ze niet teruggekomen. Het duurt daar nog zeker vijftig jaar voor er weer een intelligentsia is die het land verder kan helpen.”

Ons gesprek is alles behalve ontspannen. Mimouni is door de recente aanslagen zichtbaar nerveus. Ik krijg de indruk dat hij onder de kalmerende middelen zit. Hij reageert traag op mijn vragen en kijkt me niet begrijpend aan als ik na mijn binnenkomst in de flat voorstel mijn jas ergens neer te leggen. Hij kan aanvankelijk ook weinig begrip opbrengen voor mijn pogingen om tot een gesprek te komen. Hij schrikt van alles wat ik zeg en begint me het Algerijnse systeem uit te leggen alsof hij een college geeft. Als ik af en toe een tegenwerping maak, kijkt hij me gekweld aan.

Toch is daar soms aanleiding toe. Mimouni houdt van stevige uitspraken. Wanneer hij het Algerijnse fundamentalisme, door hem aangeduid als integrisme of islamisme, aan het begin van ons gesprek vergelijkt met het Duitse nationaal-socialisme, vraag ik hem of er niet ook grote verschillen zijn: het nazisme was een tamelijk modern systeem, gebaseerd op militaire macht, terwijl het fundamentalisme eerder middeleeuws is. Maar Mimouni wil zich er niet door van de wijs laten brengen. Onverstoorbaar doceert hij: “De nazi's stelden de joden verantwoordelijk voor de problemen, de islamisten de vrouwen.”

Waandenkbeelden

In zijn laatste twee boeken geeft Mimouni een heldere analyse van de Algerijnse problemen. Die komt er op neer dat de basis voor de huidige crisis gelegen is in het Franse kolonialisme en in het onvermogen van de latere machthebbers om tegemoet te komen aan de wensen van de bevolking. Het fundamentalisme oogst volgens Mimouni nu de vruchten van dertig jaar wanbeleid. Als econoom legt hij veel nadruk op de economische waandenkbeelden van de fundamentalistische beweging. “De islamisten willen nu terug naar de bloeitijd van de moslimbeschaving, de periode tussen de zevende en de veertiende eeuw,” zegt hij. “De rijkdom van de arabische wereld was toen gebaseerd op de controle van de handelsroutes. Daarom verwachten de fundamentalisten nu weer veel van een vrije handel. Ze vergeten daarbij echter dat de handelsroutes uit die tijd nu al lang niet meer in gebruik zijn. Een vrije handel zou de dood zijn voor onze economie, net als voor de andere zuidelijke landen.”

Directe aanleiding voor ons gesprek is de zojuist verschenen Nederlandse vertaling van De vloek (La Malédiction, 1993), een bevlogen roman over dertig jaar Algerijnse geschienenis die het afgelopen najaar in Frankrijk de Prix de Levant ontving. In dit boek, besproken in het Cultureel Supplement van 4 februari, heeft Mimouni de ideeën uit zijn kort tevoren verschenen pamflet De bastaarden van de Profeet in een literaire vorm uitgewerkt. Aan de hand van een paar sleutelfiguren laat hij de verscheurdheid van de Algerijnse natie zien en de daaruit voortvloeiende aantrekkingskracht van het fundamentalisme.

Een centrale gebeurtenis in het boek is de bezetting van de vrouwenafdeling van een groot Algerijns ziekenhuis door een groep radicale moslims. Dat verhaal, zo vertelt hij, is in grote lijnen gebaseerd op de werkelijkheid. In de zomer van 1991, ten tijde van een grote staking, is het ziekenhuis van Algiers inderdaad drie dagen bezet geweest. “Het ziekenhuis is in de roman ook een symbolische omgeving, maar het is wel een van de plaatsen geweest waar de islamisten naar toe kwamen om hun gewonden te verzorgen. Drie dagen lang hebben ze daar alles gecontroleerd. Net als in de roman zijn er toen van de kraamafdeling vrouwen verwijderd, omdat ze volgens de bezetters een bedenkelijke moraal hadden.”

In zijn recensie in deze krant schreef de Arabist Wim Raven dat de roman minder hecht gecomponeerd is dan Mimouni's eerdere romans zoals het befaamde, in elf talen vertaalde Straf voor het leven. Hij veronderstelde dat de schrijver de laatste tijd waarschijnlijk de rust niet meer had om aan een literair meesterwerk te schaven.

Mimouni geeft het vlot toe. Hij schreef het boek, net als zijn pamflet, als een noodkreet, om te waarschuwen tegen het fundamentalisme. “Algerije, maar ook andere landen zijn in groot gevaar.” In De vloek schreef hij daarom voor het eerst ook rechtstreeks over de machtsverhoudingen in Algerije. Zijn vorige romans waren veel abstracter. Alleen ingewijden konden ze als Algerijns herkennen.

Zijn thema, zo zegt hij, is echter altijd 'macht' geweest. In Straf voor het leven kijkt een dictator van een niet nader aangeduid zuidelijk land vlak voor zijn executie terug op zijn machinaties. Mimouni: “Sinds de onafhankelijkheid in 1962 heeft Algerije geleden onder een ondoeltreffende staatsmacht. Men kon op het goede moment geen besluiten nemen. Het gevolg is geweest dat er altijd veel terreur heeft geheerst en dat er veel is mislukt. De opkomst van de Islam die je nu ziet is daar een direct gevolg van.”

Gevaarlijk

Mimouni zegt dat hij zijn laatste twee boeken onder grote tijdsdruk heeft geschreven. Het pamflet tegen de fundamentalisten schreef hij in drie maanden tijd, kort voor de verkiezingen van 1991, die, zoals we nu weten, een islamitische meerderheid aan de macht dreigden te brengen. In december van dat jaar, vlak voor de militairen de staat van beleg afkondigden, was het boekje af. “Ik zag dat de islamisten aan de macht zouden komen en wilde de Algerijnen laten zien hoe gevaarlijk dat was.” Ook andere landen wil hij met zijn laatste twee boeken waarschuwen. “Vergeet niet dat Algerije, anders dan bijvoorbeeld Iran, voor Europa erg dichtbij is. Het ligt vlak bij Frankrijk, Spanje en Italië. Als het fundamentalistische FIS in 1992 werkelijk aan de macht was gekomen, zou er binnen zes maanden een islamitische staat zijn geweest. Het fundamentalisme zou misschien zijn overgeslagen naar Tunesië, en dan zo verder. Wat had Tunesië kunnen beginnen, het ligt midden tussen Libië en Algerije?”

Mimouni bevindt zich door zijn onafhankelijke opstelling in Algerije in een zeer hachelijke situatie. Hij staat niet alleen op de dodenlijst van de fundamentalisten, ook bij de regering is hij weinig geliefd. De door de overheid gecontroleerde Algerijnse radio zwijgt hem dood. “Het is zo gecompliceerd. De media bij ons vertegenwoordigen de macht. Die willen niet dat ik kritiek lever. Ik zit tussen hamer en aambeeld.”

Ik vraag hem hoe zijn leven er nu uitziet. Zoals te verwachten is, wordt het beheerst door angst. “Ik ben dag en nacht bang. De afgelopen maanden zijn zes goede vrienden van me vermoord, mensen die me erg na stonden.” Hij beseft beter dan wie ook dat hij zelf de volgende kan zijn. “Het wordt voor mij met de dag moeilijker. Elke morgen als ik opsta, hoor ik op de radio wie er nu weer gedood zijn.” Hij leidt het leven van een onderduiker, logeert nu eens hier dan weer daar.

Mimouni zegt dat de islamitische tribunalen waar hij in zijn roman over schrijft en die nu hem ter dood veroordeeld hebben, niets met rechtspraak te maken hebben. “Er is geen tekst waar men naar verwijst. Er is geen islamitische wetboek van strafrecht of een islamitisch burgerlijk wetboek. Er zijn alleen maar een paar beginselen. De Islam zegt dat iemand die gestolen heeft, gestraft moet worden, maar niet met hoeveel jaren. Niets is gespecificeerd.”

Als we elkaar spreken is net bekend geworden dat de Algerijnse regering onderhandelingen is begonnen met de fundamentalisten. Volgens Mimouni kan dat maar één ding betekenen: de godsdienstfanaten krijgen meer macht. “Waarover zou anders onderhandeld moeten worden dan over de de toegang tot de macht?” Hij ziet de toekomst somber in. “Er zijn twee mogelijkheden. Of men probeert met harde repressie het verzet te verslaan en te ontmantelen. Dat heeft men tot nu toe geprobeerd, en zonder veel succes. De andere mogelijkheid is onderhandelen.”

Zelf heeft hij geen al te beste ervaringen met gesprekken met fundamentalisten. “Ik zou graag met ze discussiëren, in een openbaar debat, over de problemen van Algerije. Maar het probleem is dat ze niet naar argumenten luisteren.” Een keer heeft hij op de Parijse radio een discussie met een islamistische intellectueel gevoerd. Mimouni: “We waren naar de studio gegaan voor een gesprek, maar tijdens de uitzending deed hij een oproep om schrijvers te vermoorden. Hij zei dat ik verdiende te sterven omdat ik zijn ideeën niet deelde.”

    • Reinjan Mulder