Elke dag een andere goi aan het kruis; Bizarre satire van Orly Castel-Bloom

Orly Castel-Bloom: Dolly City. Vert. Ruben Verhasselt. Uitg. Wereldbibliotheek, 151 blz. Prijs: ƒ 29,50

Manisch-operatief. Elke ochtend je kind opereren uit angst dat er zich die nacht een gevaarlijk gezwel ontwikkeld heeft in long, darm of maag. De operaties completeren met tetanusinjecties, jodiumbaden, breedspectrum antibiotica en, ondanks het ontbreken van aan enig spoor van kanker, toch maar alvast een haaruitvallende chemotherapie. De liefde in de vorm van een lancet. Dat is in Dolly City van de Israelische schrijfster Orly Castel-Bloom de kern van de verhouding tussen moeder Dolly, een Israelische arts, en haar zoontje, een vondeling aangetroffen in een zak in de auto van een grafdelver. De niet aflatende stroom van de meest uiteenlopende prikkels die de moderne mens dag in dag uit ondergaat in de vorm van stapels kranten, een keur aan mogelijke seksuele partners, de beelden van 36 tv-kanalen, stedelijke verkeerschaos, tien verschillende manieren om carrière te maken en de leuzen van honderd tegenstrijdige ideologieën overspoelt moeder Dolly en leidt tot haar ongeneeslijke aandoening, 'de ziekte van de eindeloze mogelijkheden.' Koste wat kost moet het kind tegen deze chaos van het moderne leven beschermd worden door een almaar hoger wordende verdedigingswal, waaraan de moeder dag en nacht metselt: de nooit ophoudende operaties, de weigering om de zoon een taal te leren en, in opperste staat van vertwijfeling, het vastlijmen van het kind op haar rug.

Die verdedigingswal van Castel-Bloom is regelrecht afgeleid van de oorspronkelijke ontwerpers van de forten tegen het moderne leven: Kafka, Musil en Canetti. Canetti's professor Kien verschanst zich in Het Martyrium in zijn gigantische bibliotheek, Kafka's hongerkunstenaar zwelgt in zijn kunst van het vasten omdat hij van ieder voedsel, een metafoor voor het leven, een afkeer heeft en crepeert tenslotte. Het hele leven opbouwen als een verdediging tegen datzelfde leven, met als uiterste consequentie van honger sterven uit angst om vergiftigd te worden. Alsof het jongetje al niet genoeg te doorstaan heeft, zadelt Castel-Bloom hem met nog een metafoor op: 'Ik pakte een mes en begon hier en daar te snijden. Ik kraste de kaart van Israel in de tijd van de bijbel in zijn rug, zoals ik me die herinnerde.' Behalve existentiële levensangst personifieert het zoontje ook nog het land Israel zelf. Met die landkaart in zijn rug gaat ze met hem naar een kleindochter van een SS-officier in Duitsland, die hem een tweede nier moet bezorgen, 'een zuiver moreel-ethische afweging', zodat een Duitse nier het joodse bloed zuivert. De kleindochter van de SS-er vraagt haar om tegelijk het hoofd van de Duitse donorbaby open te snijden om te controleren 'welk schroefje er bij ons Duitsers loszit'. Maar Dolly weigert: 'Wat moet je met de wetenschap dat de Duitsers een hoofd vol stront hebben.' Na de Zesdaagse Oorlog word de kaart in de rug van het kind nauwkeurig bijgekerfd met de nieuwe bezette gebieden. De waanzin van de Zesdaagse Oorlog leidt tot nog meer waanzin, tot nog grotere bezette gebieden in haar hoofd: 'En als een staat als Israël er niet in slaagt de Arabieren in de bezette gebieden eronder te krijgen, waarom zou ik als privé-persoon dan de occupied territories in mijn binnenste in bedwang moeten krijgen?' Castel-Bloom richt haar kogels vol bizarre satire op alle mogelijke toestanden in het huidige Israel. Op de angst van de joden voor de Arabieren of op de anti-antisemieten, 'overlevenden van de holocaust die elke dag een andere goj aan het kruis nagelen'. Het kind, Israel, wordt van de moeder afgenomen en in een inrichting van mishandelde kinderen geplaatst. Als Dolly het daar na jaren terugziet is de landkaart in zijn rug tijdens het groeiproces vanzelf gekrompen tot de grenzen van voor 1967. Er lijkt dus toch nog hoop te zijn. Maar Castel-Bloom laat de lezer aan het einde van het boek peinzend achter met een bewust raadselachtig slot. De zoon gaat bij de marine, voert een mislukte vliegtuigkaping uit om het land te ontvluchten en verdwijnt in het niets terwijl rechercheurs hem tot in de Chinese Gobiwoestijn proberen op te sporen. Misschien is dat haar wrange utopie, een volk met een geschiedenis zo lang en zo vol van gruwelijk lijden dat de menselijke geest daar alleen nog maar op kan reageren door of volslagen gek te worden of door alles te ontvluchten en spoorloos te verdwijnen in de volkomen assimilatie met de omgeving.

Het bijzondere van de wijze waarop Castel-Bloom schrijft is dat het een exacte kopie is van de wereld die ze juist zo heftig afwijst, het leven in de vorm van een opgevoerde turbomotor met injectie. De stijl doet afwisselend denken aan het new journalism van Hunter Thompson, de hyperbolen van Babel en het fantastische van Boelgakov. Eigentijdser uitgedrukt, een mengeling van punk, rap en house.

Een roman als een videoclip merkt de flaptekst van het boek terecht op. Het vakmanschap van de schrijfster zorgt ervoor dat dat geen ratjetoe aan stijlen oplevert, maar leidt tot een nieuwe boeiende vorm, die bewijst dat de literatuur als metafoor van het leven springlevend is.

    • Chris van Esterik