Elke avond slijp ik mijn messen; nadrukkelijk moderne debuutroman van Peter Verhelst

Peter Verhelst: Vloeibaar harnas. Uitg. Prometheus, 176 blz. Prijs: ƒ 34,90

Een begrip dat onlangs is overgewaaid van het computerspel naar de literatuur en dat geldt als een postmoderne verworvenheid is 'virtual reality'. Marcel Möring liet desgevraagd in een interview weten er wel iets in te zien en Atte Jongstra paste het al toe in zijn vorig jaar verschenen roman Het Huis M.. Ook Peter Verhelst goochelt wat met het begrip in zijn eerste roman Vloeibaar harnas. Gloednieuw is deze denkbeeldige werkelijkheid - want zo zou je 'virtual reality' kunnen vertalen - natuurlijk niet. De literatuur moet het immers bijna altijd hebben van de spanning tussen werkelijkheid en verbeelding, alleen is die spanning zowel bij Jongstra als bij Verhelst enigszins thrillerachtig opgeladen.

Vloeibaar harnas is een nadrukkelijk moderne roman. De romanfiguren luisteren naar hedendaagse popmuziek, bezoeken houseparties, kijken veel naar videoclips, en bladeren in het boek Sex van Madonna. Ook in de decadente, masochistische atmosfeer, in de verwijzingen naar films van Greenaway, Lynch en Fassbinder, de foto's van Mapplethorpe, en in het terloops noemen van een aantal seriemoordenaars laat Verhelst zien een kind van zijn tijd te zijn, de tijd van het 'stervende millennium' waarnaar meer dan eens verwezen wordt.

De roman lonkt naar het gewelddadige, stijl en toon doen - de titel indachtig - geharnast aan, maar echte huiver weet Verhelst toch niet op te roepen. De suggestie wordt af en toe gewekt dat de hoofdpersoon zijn vriendin mishandelt en trouwens ook met de medemens in het algemeen weinig goeds voorheeft, maar dan blijkt al snel dat het alleen maar boze gedachten zijn die hij koestert. In een moordlustig ogende passage wordt een vrouw opgevoerd die scherp in de gaten wordt gehouden, en die desondanks steeds opnieuw begint te jengelen. “Maar vroeg of later krijg ik haar. Elke avond slijp ik mijn messen. Mijn haat spat tot tegen het plafond”, heet het grimmig. Die zij blijkt echter geen vrouw te zijn, maar de telefoon die in haar eigen snoer gewurgd zou moeten worden.

Douchescènes

Opmerkelijk is zelfs hoe weinig opwindend Vloeibaar harnas is, ondanks de vele douche- en slaapkamerscènes, de perikelen in een broeierige sauna, het gemanipuleer met vlinder- en scheermessen, het tragische overlijden van een aidsslachtoffer, de zonderlinge voorvallen in een huis dat bewoond wordt door een travestiet, een spookachtig meisje, een sadistische dokter en een schandknaap, en het martelaarsmotief dat een rode draad vormt in de roman. Op bijna elke bladzij is sprake van een met pijlen doorboorde Sint-Sebastiaan, die door de eeuwen heen ontelbare kunstenaars inspireerde en nu ook de hoofdpersoon, een jonge architect, tot een grootscheeps bouwplan verleidt, dat voor de argeloze lezer helaas slecht te volgen is.

Dat de roman aan de taaie kant is, heeft alles te maken met Verhelsts kale, fragmentarische manier van vertellen, die een dichtershand verraadt. Eerder schreef hij vijf dichtbundels, die wel enige verwantschap vertonen met deze roman. Aan de zinnen ligt het niet. Die zijn terzake en soms geestig, maar er zit zo weinig verband tussen. Verhelst heeft het patent op kortademige passages als: “Vanaf het bed lijkt de kamer ondergesneeuwd. Door tientallen stoorzenders bestookt. De lakens kraken. De vloeren zijn glanzend gelakt. De muren zijn oud vlees.” Hij heeft de neiging om alles net iets te geconcentreerd, te cryptisch en vooral ook te snel te willen zeggen, alsof de lezer anders ongeduldig zou worden. Dat geldt al evenzeer voor de vele episodes die opgeroepen worden, en die op zichzelf niet onaardig zijn. Beeldend is bijvoorbeeld de beschrijving die hij geeft van het 'door polio uiteengehaalde' lichaam van een saunabezoeker dat 'door twee linkerhanden weer in elkaar geschroefd' werd. Mooi luguber is het tafereel met een onhandige begrafenisondernemer die de as van het gecremeerde aidsslachtoffer over de schoenen van de nabestaanden uitstrooit. Geestig is ook de passage waarin de hoofdpersoon angstig naar zichzelf kijkt, nadat een schimmelinfectie is vastgesteld. “Ik ben aan het beschimmelen. Straks ben ik bezaaid met wit haar. Als ik praat, valt het dan in brokken van mijn gezicht. (-) 's Avonds leg ik een pilletje op mijn tong en slik het haastig door met water. (-) Een schimmelinfectie! De arts hurkte en legde een vingertop op mijn benen en armen. Een schimmelinfectie. Oorsprong: een toevallige aanraking volstaat. Nog maar eens een bewijs dat het schadelijk is met naasten in contact te komen.”

Maar al die losse zinnen en episodes leveren achter elkaar geplaatst geen verhaal op dat van de grond of van het papier wil komen. Meer dan een denkbeeldige werkelijkheid vormen ze niet, willekeurige brokstukken waaruit de lezer, naar ik vrees, zelf een verhaal mag samenstellen.