Een man verslaat een draak in zeven ronden; Toonladders en echte muziek van Bas Heijne

Bas Heijne: Vlees en bloed. Uitg. Prometheus, 156 blz. Prijs ƒ 24,90

Een man en een vrouw staan voor een toren.

“Scheef”, zei hij. “Maar niet zo scheef als ik gedacht had. Nou, wil je er nog op?”

Zo begint het tweede verhaal uit Bas Heijnes bundel Vlees en bloed en het is een goed voorbeeld van zijn bondigheid: zonder dat de locatie genoemd wordt, weet je meteen dat het Pisa is. In het verhaal gebeurt verder bijna niets. De man en de vrouw beklimmen de toren, zij heeft last van hoogtevrees en ontdekt ineens dat zulks hem weinig kan schelen. Het maakt haar zo boos dat ze niet samen met hem terug naar beneden wil. Het begin van een ruzie? Het begin van het einde? Of gewoon het begin van een verhaal dat er geen geworden is?

Er staan nog een paar gelijksoortige verhalen in de bundel waarvan je moeilijk kunt ontkennen dat ze subtiel zijn opgeschreven en moeilijk kunt toegeven dat het spannende verhalen zijn. In zowat de helft van deze verhalen geeft Bas Heijne de indruk dat hij zomaar zit te vingeroefenen. Er gebeurt nauwelijks wat, hij speelt zijn toonladders.

Een viertal verhalen stijgt daar echter royaal bovenuit. De toonladders worden muziek, en ik vraag me graag af waarom. Misschien omdat ze wel ergens over gaan: drie verhalen gaan over aids. Maar dat is natuurlijk niet voldoende. 'Dr Love' gaat bijvoorbeeld niet over aids, maar over een junkie, die in zijn eigen branietaaltje mag vertellen, en het verhaal overstijgt zichzelf door zijn poëtisch slot. Dat is één manier.

In het titelverhaal bezoekt een zoon zijn ouders in hun nieuwe luxueuze appartement. Zij zien er almaar jonger uit, ze lopen in hun nieuwe huis rond 'als toeristen in een museum'. De zoon voelt zich ouder dan zijn ouders, hij vreest immers dat hij de ziekte heeft, later blijkt dat de vorige eigenaar van het huis een ouwe nicht was, door twee gelegenheidsschandknaapjes vermoord. De zoon droomt over hem. Maar dat is niet wat het verhaal knap maakt. Integendeel, het is een nogal goedkoop middeltje om het luguber te maken. Heijne kan dat subtieler. Dat blijkt vooral bij herlezing. Dan kan ik ineens toch wel erg lachen om een passage waarin de vader een technisch snufje van zijn nieuwe aanrecht demonstreert.

“Hier”, zei zijn vader. Hij trok een banaan van een tros in een schaal op het aanrecht en duwde hem in de glimmende stalen gootsteen. Er klonk een hard, malend geluid.

“Weg”, zei zijn vader. “Daar is niets meer van over. Handig, vind je niet.”

Ik kan dit, in een aids-verhaal, moeilijk anders dan freudiaans lezen en vindt het even vermakelijk als ik een andere opmerking huiveringwekkend vind. De vader heeft zijn zoon niet zo vroeg verwacht. “Jongen”, zei hij. “Ik wist helemaal niet dat het al zo laat was.” Als je terugbladert in het verhaal, slaagt zo'n opmerking erin om het hele verhaal te overschaduwen.

In 'Cherry' ligt een aids-zieke tegen zichzelf pratend te wachten op het einde. De taal is kaal, poëtisch, elementair. Dat geeft een eerste meerwaarde aan het verhaal. Tot hij aan het slot, door een misverstand, bezoek krijgt van het splinternieuwe hoertje van aan de overkant. Hier is het het contrast dat werkt, tussen het veile, jonge leven van het levenslustige, vriendelijke hoertje en de uitgeblustheid van de verteller. Tweede meerwaarde. Maar wat vooral werkt is de metafoor waarmee het verhaal begint en die het hele verhaal naar zijn hand zet: de vergelijking met een computerspelletje. “Een man moet een draak verslaan in zeven ronden. Zijn weg is vol obstakels (-) Als hij in aanraking komt met een vijand, begint hij te schudden en te beven en verliest een rode stip. (-) Ieder mannetje heeft drie rode stippen, meer niet. Heeft hij nog maar één stip en loopt hij tegen iets op of iets tegen hem dan slaakt hij een gilletje en is dood.

Zo voel ik me, zeg ik tegen mezelf. Ik heb nog maar één rode stip.''

'Slecht ding' is het derde aids-verhaal, nee, het eerste, want de bundel opent ermee. Het is het verhaal van een groteske, bij voorbaat mislukte kunstfilm over aids en van de vergeefse personages die hun medewerking daaraan verlenen, te beginnen met een pathetische regisseur van wie je de hele tijd vermoedt dat hij zijn film maakt ten koste van zijn gelegenheidsacteurs. Tot ook van de regisseur de wanhoop blijkt.

“Plotseling kan ik zijn onmacht voelen, groot en massief als een gebergte (-) Mijn hand zoekt die van Rob.” Het is waarschijnlijk het mooiste verhaal van de bundel doordat al de holle decors waarin het zich afspeelt, en alle holle acteurs met wie, en alle wanstaltigheid van de nadrukkelijke filmsymboliek, en alle holle attributen (“antieke marmeren torsen, doorboorde tepels, huilende, opgemaakte ogen, donkere schaduwen, hemelse lichtstralen, boa's, pruiken, erecties, navels, billen, haar, glitter, sperma”) samen hun vreselijk valse verhaal van wanhoop gaan zingen. Een harmonisch wanhoopsverhaal deugt niet.