De worm rouwt niet om het kadaver; Tom Lanoye's blues in Vlaanderen en het buitenland

Tom Lanoye: Spek en bonen. Uitg. Prometheus, 192 blz. Prijs: ƒ 27,90.

Tom Lanoye is, net als zijn makker Herman Brusselmans, een chroniqueur van vreugdeloos Vlaanderen. Hoe absurdistisch zijn proza soms ook is, het is altijd absurdisme met een vleugje blues. 'Jules Desmet,' begint een verhaal in de bundel Een slagerszoon met een brilletje (1985), 'stierf op zijn bordeelsofa, natte winden latend, kokhalzend, de samovar binnen handbereik.' Desmet is een typische Lanoye-figuur; van de wieg tot het graf een groteske loser.

Ik weet niet of Lanoye vindt dat er daar in Vlaanderen meer van rondlopen dan in, bijvoorbeeld, Nederland. Maar ook in zijn satirische columns, verzameld in onder meer DOéN! (1992), trekt hij van leer tegen met name Vlaamse treurigheid. Gezien Lanoye's illusieloze visie op de (Vlaamse) mens, is het geen wonder dat hij het onder meer gemunt heeft op het Vlaamse Blok en andere flaminganten, die de Jules Desmetten - als 'volk' - een bijzondere bestemming op aarde toedichten.

Toch lijkt Lanoye, als schrijver, met handen en voeten aan datzelfde Vlaanderen gebonden te zijn. In elk geval kan hij in de nieuwe verhalenbundel Spek en bonen niet overweg met buiten-Vlaamse treurigheid. De bundel, de tweede na Een slagerszoon met een brilletje, bevat naast vier in Vlaanderen gesitueerde verhalen, onder de noemer 'Extra muros' drie verhalen die in Zuid-Afrika, Cuba en 'de tropen' spelen. Alle drie zijn het fletse vertoningen. De zware onderwerpen ten spijt.

Johannesburg, Le Bain doet een poging, om dood aan erotiek te koppelen in een apocalyptisch Zuid-Afrika; Onweer in de tropen is een zwarte mini-komedie over aids; en Moros y christianos gaat over een onttakelde liefde in een vervallen land. Voldoende ingrediënten voor mooi zwartgallige verhalen, zou je dus zeggen. Maar Johannesburg, Le Bain is niet meer dan een handige montage van wat bange taxi-gesprekken en een saunabezoek. En Onweer in de tropen gaat ten onder in een gezochte plot en plastic personages.

Ook Moros y christianos is het produkt van een ernstige creatieve crisis: vlakke observaties en liefdesverdriet zonder angel. Het is alsof de vreemde entourage Lanoye beroofd heeft van zijn belangrijkste wapen: vitaliteit. Nooit gedacht, dat Tom Lanoye zo doods kon schrijven - hele passages lijken uit een toeristische brochure of een journalistieke reportage te zijn overgenomen.

In Moros y christianos staan twee zinnen die in dit verband misschien verhelderend zijn. “De worm rouwt niet om het kadaver. Hij houdt ervan”, zegt de verteller, wanneer hij probeert uit te leggen waarom hij graag op Cuba is. “De wereld ettert hier, op dit eiland is onze eeuw al onderhuids aan het rotten. Die spanning, die radeloosheid, plus het wegredeneren ervan: ik herken me in alles wat ik zie.” Van Vlaanderen kan de verteller dat 'moeilijk zeggen.' “Vaanderen is alleen maar doofstom en blind.”

Het zij zo. Maar in Spek en bonen zijn het de vier verhalen die op het Vlaamse 'kadaver' zijn ontstaan, die tot de verbeelding spreken. Thematisch zijn ze wel verwant met de 'buitenlandse' verhalen. Je zou dat thema kunnen omschrijven met de woorden van een van de personages in het verhaal Cafe Zeezicht: “Waarom je dromen naar de kloten helpen door ze te vervullen?”

Waar de buitenlandse verhalen het reilen en zeilen van papieren personages schilderen, zijn de mensen in de Vlaamse verhalen van vlees en bloed. Dat geldt met name voor het titelverhaal en Cafe Zeezicht. Het eerste is, net als Onweer in de tropen, een zwarte liefdesgeschiedenis: een driehoeksverhouding van moeder, dochter en het vriendje van de dochter, die langzaam afstevent op een dramatische ontknoping. Maar in tegenstelling tot Onweer in de tropen gaat Spek en Bonen bij vlagen door merg en been.

Zo, bijvoorbeeld, motiveert het vriendje waarom hij er met de moeder vandoor is gegaan: “Simone was gewoon beter. Minder zot. Niet veel, maar toch. (-) Over een oude schuur gesproken, die Simone heeft gebrand, gebrànd. Nooit meegemaakt.” Je ziet Marco, Simone en Tanya voor je, je hoort ze praten. Oprah Winfrey-blues in optima forma - en dat is als compliment bedoeld.

Cafe Zeezicht is absurdistischer, maar niet minder uit het leven gegrepen. Met als ingrediënten een buitengewoon droevig café, een beer die praat als Joseph Luns, een versleten vijftiger, een kitscherig 'automatisch orgel' en zinnetjes als “In de verte werd een sloep door de golven aan spaanders geslagen”, roept Lanoye een sfeer van doffe ellende op die op een bitterzoete manier geestig is. “Van beroep was hij landbouwer, van inborst boer.” Je proeft het in elke zin: dit zijn de mensen waar Lanoye verstand van heeft - want ze wonen om de hoek.

De tweedeling in de bundel is niet alleen een inhoudelijke. Ook chronologisch is er een verband. De vier Vlaamse verhalen zijn geschreven tussen 1986 en 1992. De buitenlandse zijn van heel recente datum. Hopelijk betekent dat niet, dat Lanoye vorig jaar een nieuwe richting is ingeslagen - het 'kadaver' Vlaanderen vaarwel heeft gezegd om de wijde wereld in te trekken. De Nederlandstalige literatuur zou er een toerist op winnen, maar een schrijver verliezen.

    • Gertjan van Schoonhoven