De hartstocht van Rachel Stottermaus voor Douglas Distelvink, alias Ingenieur Rokriem

Charlotte Mutsaers heeft in haar nieuwe roman Rachels rokje een verhaal verteld dat niet anekdotisch wil zijn, maar het toch vaak is, dat zachtaardig is en ook kregel, dat hartstochtelijk is, en ook nuchter, dat langzaam verteld wordt en toch grote vaart heeft, dat tegelijk brokkelig is en strak in de vorm steekt, dat alle kanten opwaait en toch aangenaam samenhangt.

Charlotte Mutsaers: Rachels rokje. Uitgeverij Meulenhoff. 312 blz. Prijs: ƒ 39,90.

“Met dames die van wanten weten/ is het soms kwaad kersen eten”, zo luidde een van de bijschriften in de emblematabundel Het circus van de geest, waarmee Charlotte Mutsaers ruim tien jaar geleden debuteerde. Op het plaatje hapt een man bedremmeld naar de tepel van een glimlachende vrouw, die zijn oor bedreigt met een mes. Elders is het Sinterklaas die door een vrouw wordt belaagd, al zwaait hij nog dapper naar een denkbeeldig publiek. Hij en Piet en de schimmel zitten angstig weggedrukt in de ene helft van een bijna kapseizend bootje, terwijl in de andere helft een blote dame wulps achterover leunt. In het bijschrift heet het mooi nuchter: “In de boot van Sinterklaas/ ligt niet louter speculaas.”

Het zijn grappige emblemen, die waarschijnlijk iets minder vrolijk bedoeld zijn dan ze er op het eerste gezicht uitzien. De femme fatale van Mutsaers is niet alleen een uitdagend en triomfantelijk type. Zij is ook een beetje sneu. Want ze ligt daar wel open en bloot, maar op haar avances wordt niet, of alleen onder bedreiging met een mes ingegaan. Ook in het beeldverhaal Mijnheer Donselaer zoekt een vrouw (1986) bereiken de geile dames zelden hun doel. “Zij lacht in alles met hem mee/ want hoopt op aandacht voor haar snee”, zo luidt de tekst bij een van de tekeningen. Van 'hompikurken' zal het ook deze keer echter niet komen, omdat mijnheer Donselaer liever nog even verder zoekt naar een geschiktere vrouw.

Het is een van de tragische, maar meestal licht en komisch geformuleerde motieven in haar werk: passie die niet beantwoord wordt, liefde die maar van één kant komt, verlangens die niet in vervulling gaan. En àls de liefde al eens wederzijds is, zoals in haar eerste roman De markiezin (1988), dan leven de twee vriendinnen weer niet lang en gelukkig, maar dan versmelten ze en vinden ze in elkaars armen ook meteen de dood, de Grote Dood, om met Mutsaers te spreken.

Dat met ware doodsverachting toch steeds weer aangestuurd wordt op versmelting, heeft, zo legde Mutsaers uit in een van haar essays in Kersebloed (1990) te maken met 'het gapende gemis uit de jeugd', en wel een gemis aan moederliefde. Voor haar trouwe lezers kwam deze verklaring niet uit de lucht vallen. De moeder rijst uit haar werk op als een uitgesproken kil en harteloos type, een jaloers kreng, die haar kinderen het licht in de ogen niet gunt. In Mutsaers' nieuwe roman Rachels rokje maakt zij het weer erg bont. “Zóu je ze niet”, knarsetandt Moeder als ze naar het aantrekkelijke lijfje van haar enige dochter kijkt, “zou je ze niet alle haren uit hun mooie jonge hoofdjes trekken?” En zij doet er vervolgens alles aan om het meisje op te laten groeien tot een onbeminde vrouw.

Daarin lijkt zij te slagen, want Rachel Stottermaus, zoals Mutsaers heldin heet, blijft steeds op jacht naar die ene, getrouwde man die ze niet kan krijgen, maar die ze toch trouw blijft, zoals een hond zijn baas. Over liefde gaat Rachels rokje dus, waartegen geen kruid gewassen is. Die richt zich in de eerste plaats op Douglas Distelvink, ook wel Ingenieur Rokriem geheten, want Mutsaers houdt van allitereren. Daarnaast mogen honden, paarden, vogels en andere dieren zich in haar passie verheugen, evenals een sokken breiende vader, en zulke uiteenlopende verschijnselen als Kerstmis, de bliksem, het getal dertig, elektriciteitshuisjes, de Bugatti en natuurlijk de rok, het rokje uit de titel. De roman heeft geen hoofdstukken, maar 37 'plooien', die alle kanten op mogen zwieren, cirkelen, ruisen en wapperen. De 37 plooien, gevolgd door een soort kruisverhoor van de schrijfster in 7 sessies, vormen samen een dynamisch, om niet te zeggen wispelturig geheel, waarin werkelijkheid en verbeelding, verleden, heden en toekomst, en de verschillende romanfiguren niet altijd even gemakkelijk van elkaar te onderscheiden zijn.

Beddelampje

Mutsaers vertelt geen verhaal in de gebruikelijke zin van het woord. Er gebeurt bijna niets dat zich in feitelijke termen laat navertellen. Een vrouw die haar leven lang een uitzichtloze, maar onontkoombare liefde koestert voor haar leraar Nederlands, zo zou je de roman kunnen samenvatten. Maar dat klinkt al bijna te maatschappelijk voor een boek dat zich zo moeiteloos en glansrijk aan de werkelijkheid onttrekt. Zo'n samenvatting doet ook geen recht aan de bonte capriolen die Mutsaers haar heldin in de geest laat uitvoeren. Of aan de vele poëticale intermezzo's, waarin ook de lezer een bescheiden rolletje mag meespelen als mopperige instantie op de achtergrond. Hij vraagt zich wat zorgelijk af waar het heen moet met al die fladderende plooien waarin hij maar geen verhaal met kop en staart kan ontdekken. “Onderwijl ligt misschien menige lezer in het schijnsel van zijn beddelampje, het doorploegde gelaat vol crème, de ledematen gestrekt na de echtelijke plichten, te snakken naar leesvoer met ietsje meer vaart. Of er nog wat van komt wil hij weten.” Er is een grappig contrast tussen deze ongeduldige, maar ook wat onnozele lezer en de verteller, die hem geregeld bij de neus neemt. “Jullie zien het”, merkt zij op, nadat zij een niet bestaand adres heeft opgegeven, “Ik wil graag alles vertellen wat ik weet. Vooral omdat het toch al zo weinig is.”

Als ik zeg dat Rachels rokje over gevoelens gaat, dan is dat slapjes uitgedrukt. Een explosie van gevoel is het, zeker vergeleken met De markiezin, dat veel gereserveerder van toon en inhoud was. Haar boodschap is fel en duidelijk en wordt aan het slot van de roman geïllustreerd met een liedje over een kalf, een zwaluw en de lachende wind. Een mens kan zich maar beter proberen te identificeren met de zwaluw, die vrij rondwervelt en zich hoog boven het aardse gewoel verheft dan met een kalf dat naar de slachtbank wordt gevoerd. Aan het eind van alles wacht toch alleen maar de dood en het is onnodig om zich voortijdig te laten kisten. Deze boodschap moet natuurlijk niet al te praktisch opgevat worden, maar vooral worden gezien als een oproep om de verbeelding aan de macht te laten, om zo frank en vrij mogelijk te leven in de geest.

Kreukelig

Rachels rokje is een even gedreven als obstinaat boek. Het is niet alleen een eerbetoon aan de liefde, de blinde passie en het verlangen naar versmelting, maar zet zich tegelijkertijd ook krachtig af tegen iedereen die zoveel hartstocht maar overdreven vindt en de schouders ophaalt over de vrije opvlucht van de geest. Naast de moeder zijn er verschillende personen en instanties met wie Mutsaers een appeltje te schillen heeft. Ergernis is er over de nette burger, die niet van kreukelige rokjes houdt, maar er wel graag onderkijkt als hij de kans krijgt. Ergernis is er over 'onze beschaving' die politiek belangrijker vindt dan liefde, en die de mond vol heeft van menselijke waardigheid, terwijl het dier zich zelf maar moet zien te redden. Ergernis is er ook over het moorddadige verkeer, de ontoereikendheid van de Nederlandse taal, actiegroepen tegen Zwarte Piet, de aantasting van de natuur, het eeuwige gezanik over 'het Weer, de Ziekte, het Geld'. Rachel wordt ten voorbeeld gesteld aan alle duffe Nederlanders die zich liever in hun portemonnee verdiepen, dan in de liefde. “Maar zíj stond onder stroom. háár rokje was van schrikdraad, je had er alle weiden van Nederland mee kunnen beveiligen en de koeien zouden raar hebben opgekeken.”

Mutsaers heeft een liefde- en een haatkant, en dat maakt haar tot een krachtige, een dappere, een intrigerende, en ook tot een gespleten schrijfster. Haar neiging om niet alleen hartgrondig vóór iets te zijn, maar tegelijkertijd ook vierkant tégen iets anders, is wel eens wat vermoeiend. Als haar heldin vleiend wordt toegesproken door een ober over haar uiterlijk, dan wordt er meteen aan toegevoegd dat 'zoiets' 'tegenwoordig' seksuele intimidatie heet, maar dat Rachel ervan geniet. Wat zij met de ene hand royaal geeft, neemt zij met de andere hand soms verongelijkt weer terug. Zij slaat, zoals het in Rachels rokje welluidend heet, graag op de grieventrommel, al zorgt dat ook wel weer voor veel leven in de brouwerij.

Licht of onbevangen, zoals zij als auteur graag zou willen zijn, is zij maar ten dele. De ernst en de zwaarte van het leven liggen bij haar altijd op de loer. In haar speels ogende stijl, en in de korte, spreektalige zinnen, waarin betrekkelijk weinig komma's, maar des te meer vraag- en uitroeptekens te vinden zijn, gaan heel wat beweringen schuil. Zelfs in een kolderieke passage als deze vind je nog wel een soort uitspraak over de wereld: “Soms zou men het waarachtig gaan denken, maar de wereld wordt niet louter bevolkt door dieren. Zelfs de Karbouwstraat niet, zelfs het huis van Distelvink niet. Maar beloerd word je natuurlijk wel. Hoog in het hol van de leeuw huist kapitein Haak.”

Luchthartigheid en ernst, onbevangenheid en moralisme gaan hier hand in hand en daar is eigenlijk niets op tegen. Zo is er ook niets mis met een verhaal dat niet anekdotisch wil zijn, maar het toch vaak is, dat zachtaardig is en ook kregel, dat hartstochtelijk is, en ook nuchter, dat langzaam verteld wordt en toch grote vaart heeft, dat tegelijk brokkelig is en strak in de vorm steekt, dat alle kanten opwaait en toch aangenaam samenhangt.

Maar het mooist, want onverbloemd liefdevol vind ik het hoofdstukje over een paard dat al zijn leven lang op schoot wil, maar dat vanwege zijn grootte niet kan. Totdat hij besluit dat hij niet langer slaaf wil zijn van zijn lichaam en kiest voor een aanvaardbaar compromis: hij legt zijn hoofd in de schoot van zijn innig beminde berijder. “Wat doet het er ook toe dat ik een paard ben”, overpeinst hij, “en dat het slechts mijn hoofd is dat op schoot kan zitten. Want mijn hoofd, dat ben ik zelf.”

Zoals het paard zich neerlegt bij de beperkingen van zijn 'aangeboren grootheid', zo neemt ook Rachel noodgedwongen genoegen met wat er voor haar aan liefde overschiet. Zij heeft in het passionele wel wat weg van de uitdagende vrouwen uit Het circus van de geest en al die andere smachtende dames van Mutsaers. Zij danst en springt en zingt door het leven, haar gloeiende passie als een kostbaar kleinood voor zich uitdragend. Maar de man op wie zich alle hartstocht richt, beantwoordt die liefde wel, maar schrikt ook terug voor zoveel overgave. Rachel stelt zich maximaal beschikbaar, zij wacht en wacht en wacht, maar moet zich ten slotte na dertig jaar tevreden stellen met gestolen momenten, op een vluchtheuvel, op een zolderkamer en in een garage. Wat zich daar dan precies afspeelt, wordt zorgvuldig in een mysterieus waas gehuld en blijft dus een kwestie van verbeelding. Dat kan ook niet anders; iedere liefdesdaad, hoe gedetailleerd beschreven ook, zou verbleken bij zo'n tomeloos en opwindend voorspel.

Uit: Charlotte Mutsaers, Rachels rokje

Zodra ze Rachels kamer binnenkomt loopt ze zoals gebruikelijk eerst op het bed af. In haar argeloosheid heeft Rachel verzuimd een betere plek te bedenken dan onder het matras. (-) En nu is het Moeder die met het dagboek op schoot zit. Maar vanwege de omvangrijke dijen onder de Gorray-rok is die schoot wel vijf keer zo groot zodat het dagboek vijf keer zo klein wordt. (-) Het staat vast: Rachels onstuimigheid dient gekortwiekt en die leraar met die idiote naam moet ophoepelen, al is het maar uit haar hoofd. Maar hoe? Ze laat nog één keer haar medogenloze ogen over de kinderlijke grote letters gaan. Ach, het is eigenlijk helemaal niet moeilijk om iemand met woorden af te tuigen, zeker niet als het je eigen dochter is die daar op haar blote bakvisknieën om smeekt.

Ze krijgt een prachtidee. Uit een van de zakken van haar witte jasschort (-) diept ze een rood timmermanspotlood op dat zij om redenene van correctie altijd bij zich draagt, en daarmee zet ze in vette diagonale koeieletters KALVERLIEFDE over de hele vermaledijde pagina. Ziezo, de moeite om het dagboek weer op de oude plaats te leggen kan ze zich besparen. Des te gauwer zal het gevonden worden. Succes troef!

    • Janet Luis