De collectie Nederland

Kunst & Museumjournaal, voorjaarsnummer, om boekhoudkundige redenen geantedateerd als nummer 3 van 1993. Prijs ƒ 12,50.

De bijdetijdse beleidsambtenaren van WVC moeten al brainstormende een aantal pakkende termen hebben bedacht die blijven haken in het geheugen. Dat maakt het museumbeleid hanteerbaar. De 'Collectie Nederland' is er zo een. Hij omvat het geheel aan kunstvoorwerpen in Nederlandse museumcollecties. Voor dat geheel wenst de minister voortaan beleidslijnen uit te stippelen: niet langer alleen voor de collecties in de rijksmusea. Alom verwachten de musea dat de veranderingen die zich nu afspelen bij de rijksmusea, straks ook op lagere niveau's zullen doorwerken. Reden voor Kunst & Museumjournaal, een tweemaandelijks tijdschrift over moderne en hedendaagse kunst, om de 'Collectie Nederland' en de plannen daarmee aan een kritisch onderzoek te onderwerpen.

In een interview vat Cees van 't Veen, hoofddirecteur Cultuurbeheer van WVC, het ministeriële gedachtengoed helder samen: collecties zijn middelen voor musea om zich te profileren, en profilering is een voorwaarde om aantrekkelijk te blijven voor het publiek. Het museum moet daarom verzamelen rondom de zelfgekozen unique selling points. Liefst niet door aankoop, maar door onderlinge ruil. En dus moeten musea hun collecties uitwisselen. Want, aldus Van 't Veen: 'Waarom zou een museumcollectie locatiegebonden moeten zijn?'

Vervolgens buigen verschillende ingewijden uit de museumwereld zich over die opvattingen. Vrijwel allen preken voor eigen parochie. Arjen Kok, adviseur van de Rijksdienst Beeldende Kunst, pleit voor een nieuw adviesorgaan op het gebied van collectiemobiliteit. Hij meent overigens dat het zeker profijtelijk kan zijn voor een museum om een gat in de markt te zoeken. Hij wijst op het Rijksmuseum Twenthe, dat heeft aangekondigd zich te gaan specialiseren in de Nederlandse kunst van de achttiende eeuw. Daar hebben verder nog weinig musea belangstelling voor. Anke van der Laan, directeur van een klein museum (de Stadsgalerij in Heerlen) pleit juist voor een grotere aankoopsubsidie voor kleine musea.

Hoofdredacteur Philip Peeters is sceptisch en voorziet diverse praktische problemen, alleen al omdat bij de moderne kunst-musea 'de identiteit van een museum synoniem is met die van zijn directeur.' Musea die op grote schaal bruiklenen laten overkomen zullen die misschien weer allemaal moeten terugsturen als er bij de lenende of uitlenende instelling een nieuwe directeur verschijnt. Op bruiklenen kun je dus geen collectiebeleid bouwen. Van ruilen of verkopen krijg je misschien nog meer spijt.

Marja Bosma, conservator moderne kunst van het Centraal Museum in Utrecht, bespreekt tenslotte het lot van 'eenlingen' in museumcollecties. Miskopen en vergissingen, kunnen die dan wel naar een museum met een geschikter profiel? Soms wel en soms niet, vindt zij, maar ook zij ontwijkt de principiële vraag naar wat voor moet gaan: de historische samenhang van een collectie of de kunsthistorische (of marketingtechnische) visie van de directeur?