CPB rekent programma's naar beste weten door

De column van E.J. Bomhoff in NRC Handelsblad van 14 maart ging over de wijze waarop het CPB is omgegaan met de 'doorberekening' van de verkiezingsprogramma's. Bomhoff maakte twee belangrijke kritische kanttekeningen. De eerste was dat het CPB niet bereid is rekening te houden met de gunstige gevolgen van het afschaffen van de algemeen verbindend verklaring (AVV) van bedrijfstak- CAO's. Bomhoff heeft gelijk, al is het geen kwestie van niet bereid zijn, maar van niet in staat zijn. Zoals in het voorwoord in het boekje 'Vijf verkiezingsprogramma's' is vermeld, hebben we voor de berekening ervan geen geschikt instrumentarium. Na de Tweede Wereldoorlog was er aanvankelijk sprake van geleide loonpolitiek met automatische algemeen verbindend verklaring van goedgekeurde CAO's. Toen begin jaren zestig de vrijheid van CAO-onderhandelingen werd hersteld is het automatisch algemeen verbindend verklaren echter doorgegaan. Er is dus geen naoorlogse historie op grond waarvan het effect van het niet algemeen verbindend verklaren kan worden bepaald. Wel kan uit een vergelijking tussen beloning in het CAO-gebied en het niet CAO-gebied worden afgeleid dat de AVV-praktijk leidt tot hogere arbeidskosten voor lagere functies en ook is aannemelijk dat de AVV het tot stand komen van bovenwettelijke collectieve regelingen (VUT, aanvulling WAO) bevordert. Een kwantificering van de gevolgen van het afschaffen van de AVV vereist echter zoveel hypothesen dat dit tot de beschuldiging van willekeur zou kunnen leiden.

Bomhoff heeft natuurlijk gelijk dat ook nul een willekeurig en vertekend cijfer kan zijn. Maar in de publikatie wijzen we er meermalen op dat in de berekeningen de AVV buiten beschouwing is gelaten.

Het tweede punt van kritiek is de wijze waarop het CPB de gevolgen van belastingverlaging becijfert. Bomhoff stelt dat het CPB een rekenmodel hanteert waarin alle gunstige gevolgen van lagere belastingen pas na 10 jaar zichtbaar worden. Hij noemt dat een dwaze veronderstelling. Reagan en Thatcher hebben immers ook geen 10 jaar hoeven wachten voordat ze de effecten van lastenverlichting zagen? Op dit punt geeft Bomhoff verkeerde informatie. Als hij bedoelt dat het volgens het CPB lang duurt voordat de gunstige gevolgen van lastenverlichting hun maximale omvang hebben bereikt, heeft hij gelijk. De effecten van lastenverlichting lopen lang door omdat de reacties eerst in arbeidsaanbod en loonvorming, dan in investeringen en arbeidsvraag en ten slotte in de werkgelegenheid tot uiting komen. Bovendien is er sprake van inverdieneffecten wanneer de hogere werkgelegenheid ook lagere collectieve uitgaven en hogere inkomsten genereert. Daaruit kan dan weer een verdere lastenverlichting worden gefinancierd zodat de uiteindelijke positieve gevolgen belangrijk hoger kunnen zijn dan die op een termijn van 2 à 4 jaar. Die lange-termijngevolgen worden met een apart daarvoor ontwikkeld model in beeld gebracht (MIMIC) waarover Bomhoff al eens enthousiast schreef.

Dat er de eerste 10 jaar geen gunstige gevolgen zichtbaar worden als het CPB aan het rekenen slaat is echter onjuist. In het in Variantenboek worden de gevolgen weergegeven volgens het in gebruik zijnde macro-model (FKSEC) van een belastingverlaging van 1 procent van het nationale inkomen. Na vier jaar is het effect 35.000 banen erbij en ruim een half procent meer produktiegroei; van de extra banen is na 2 jaar al ruim de helft gerealiseerd en van de produktiegroei al ruim tweederde. Dit zijn geen verwaarloosbare effecten. Bomhoff stapt nogal luchtig heen over de financiering van de lastenverlichting. Hij weet wel direct een aanwending van de inverdieneffecten (indexering uitkeringen), maar hoe zit het met de dekking van de lastenverlichting?

Het aanhalen van het vertrouwen van Reagan in de heilzame gevolgen van lastenverlichting onthult ook de zwakke stee in zijn betoog. Ook Reagan was zo gefascineerd door belastingverlaging dat hij vergat naar dekking ervoor te zoeken. Een belastingverlaging zonder financiële dekking garandeerde wel zijn herverkiezing, maar zadelde minimaal twee opvolgers op met het probleem van het begrotingstekort. De referentie aan het Verenigd Koninkrijk en de VS is, naast de uit de hand lopende begrotingstekorten, ook in een ander opzicht minder gelukkig. Daar was en is de relatief lage lastendruk niet het meest prangende probleem doch veeleer de kwaliteit van het massa-onderwijs, de slechte infrastructuur en andere verwaarloosde belangrijke publieke voorzieningen.

REACTIE E.J. BOMHOFF

Er zijn twee manieren om de belastingen te verlagen: één serieus, de andere gevaarlijk. CDA, PvdA, VVD en D66 willen in de komende kabinetsperiode lagere belastingen mogelijk maken op de serieuze, degelijke manier, namelijk door extra te besparen op de collectieve uitgaven. Alle vier partijen willen zelfs extra bezuinigen, zodat ook nog het financieringstekort kan dalen. Volgens het rekenmodel van het CPB gaat het dan vier jaar bergafwaarts met economische groei en werkgelegenheid, en zijn zelfs na acht jaar de gevolgen nog uitermate mager. Dat zijn absurde uitkomsten, voortvloeiend uit fouten in het rekenmodel, en intussen weersproken door superieur onderzoek bij Wereldbank en het Internationale Monetaire Fonds. In zijn reactie probeert Zalm het rekenmodel te redden door cijfers te presenteren over het andere, gevaarlijke experiment: de combinatie van lagere belastingen en een veel hoger financieringstekort. We weten nog uit de jaren zeventig dat de werkgelegenheid tijdelijk stijgt bij een groter financieringstekort, maar om daar nu mee aan te komen terwijl alle grote politieke partijen pleiten voor belastingverlaging in combinatie met bezuinigingen, is misleidend.

'Dat betekent dat u betrokkene vanaf haar geboorte tot heden hebt zien spreken met anderen?'

    • G. Zalm