Chinezen waren de gangmakers van de economische groei; Thailands gulden middenweg

Het oosten van Azië is een van de vitaalste politiek-economische delen van de wereld. Zeker tien landen behalen daar groeicijfers waar elders jaloers naar wordt gekeken. Wat is de bron van dit economische wonder en wordt dit ook vertaald in politieke invloed. Deel zeven van een serie landenportretten onder de titel De Nieuwe Kracht van Azië.

BANGKOK, 18 MAART. Heer Boeddha en Voorzitter Mao zaaiden, zonder dat ze het zelf wisten, de kiemen voor het moderne koninkrijk Thailand, de jongste loot aan de boom van economisch succes in het Verre Oosten. Het boeddhisme leert de mens praktisch te leven en een middenweg te kiezen: een zeer bruikbare filosofie in het kapitalisme. En de afkeer van het maoïsme bracht de krachtige Chinese minderheid in Thailand ertoe de blik naar binnen te richten en haar ondernemersgeest op scherp te zetten. Het waren de Chinezen die in de jaren vijftig en zestig het voortouw in Thailands industriële expansie.

Een sterke drang naar (materiële) vooruitgang is in heel Thailand voelbaar, maar ook de onwennigheid met de democratie. Sinds anderhalf jaar zetelt in Bangkok weer een gekozen burgerregering en hebben de militairen zich teruggetrokken op hun eigen domein, de kazerne, de vraag is voor hoe lang.

Thailand is een relatieve laatbloeier in de Oostaziatische regio. Japan, Zuid-Korea, Hongkong, Taiwan, Singapore en Maleisië gingen de afgelopen decennia voor in een onstuimige ontwikkeling. In de internationale maalstroom van de jaren zestig/zeventig kwam Thailand van de vijf landen op het vasteland van Zuidoost-Azië als enige 'overlevende' bovendrijven. Oostwaarts werden Vietnam, Laos en Cambodja vermalen tussen oorlogen en communistische dictaturen. En Birma, ten westen van Thailand, werd door een socialistisch militair schrikbewind afgesloten van de wereld.

De Amerikanen, die Thailand als een belangrijke bondgenoot zagen tegen het communisme, brachten het kapitalisme er op een dienblaadje. Tot dan was Thailand een betrekkelijk achtergebleven, slaperig gebied; want ook dat kan een eigenschap van het boeddhisme zijn: de lijdzaamheid, het afwachten. Met Amerikaanse hulp werd de slinger van de economie aangezwengeld.

De Thaise export verschoof in de jaren zestig en zeventig geleidelijk in de richting van de secundaire sector. Thailand was aanvankelijk vooral een geslaagde exporteur van agrarische produkten - nog steeds is het land nummer 1 op de exportlijst van rijst, rubber en cassave. Vanaf 1986 had een groeispurt plaats: het aandeel van industrieprodukten in de export steeg in een tijdsbestek van zes jaar van 43 naar 76 procent. Het nationaal inkomen nam spectaculair toe, met een groeipercentage van 14 in het topjaar 1989, een groei die terugviel naar een constante 7,5 à 8 procent.

De motor van deze ontwikkeling was de Chinese gemeenschap. “Mao Zedong was - onbedoeld - de stichter van het Thaise kapitalisme. Toen de navelstreng met China was doorgesneden, beseften de Chinezen in Thailand dat hun toekomst hier lag”, zegt Ammar Siamwalla, hoofd van het Thaise Instituut voor Onderzoek en Ontwikkeling. Door gedwongen assimilatie en naamsverandering in de jaren vijftig bestaan de Chinezen nu niet meer als herkenbare bevolkingsgroep. Naar schatting 10 tot 15 procent van de huidige Thaise bevolking is van Chinese origine, terwijl negentig procent van de investeringen in handel en industrie door Chinezen wordt gedaan. Toen de Chinezen eenmaal het goede voorbeeld hadden gegeven volgden de autochtone Thais hun spoor.

Het meest curieuze aspect van de Thaise na-oorlogse geschiedenis is de combinatie van een almaar groeiende economie en een zeer instabiel politiek systeem. Staatsgreep volgde op staatsgreep, de laatste in 1991. Dr. Suchit Boonbongkarn, decaan aan de faculteit politieke wetenschappen van de Chulalongkorn universiteit in Bangkok zegt dat de politieke tegenstellingen nooit een inhoudelijk karakter hadden, maar een strijd om de macht betroffen. Bovendien waren de militairen altijd nauw betrokken bij de economie en hadden ze door hun eigen handeltjes direct belang bij een ongestoorde groei.

Ook de corruptie, die sinds jaar en dag in vrijwel alle geledingen van de Thaise samenleving welig tiert, heeft hoegenaamd geen nadelige uitwerking gehad. “Corruptie en politieke onrust glijden langs de meeste mensen heen. Ze accepteren het en gaan door met hun business. Daarom is de economie nooit geschaadt. Alleen de buitenlandse investeringen en het toerisme hebben er soms even last van”, aldus Suchit.

Hij wijst op het boeddhisme als bindmiddel voor de natie. Het boeddhisme is in feite een levensfilosofie, geen religie. Het gaat om het hier en nu, het leven op aarde. “Het legt mensen beperkingen door hun streven naar het goede. Dat geldt zelfs voor de militairen. Hun wandaden brachten ze telkens in balans door iets terug te geven aan de maatschappij in de vorm van liefdadigheid en investeringen. De kloof tussen arm en rijk, tussen stad en platteland is dankzij hen kleiner geworden.”

Een andere stabiliserende factor van groot belang is het Thaise koningshuis, waarvoor onder de hele bevolking een bijna heilig ontzag bestaat. Aan de bloedige botsing tussen leger en demonstranten in 1992 kwam pas een einde na rechtstreekse interventie door koning Bhumibol. De politieke opstand van twee jaar geleden, geïnitieerd door studenten en delen van de middenklasse, vormde een breuk met het lijdzame verleden. Aanleiding voor de onrust was de parachutering van generaal Suchinda als premier na het houden van vrije verkiezingen waarbij de generaal niet kandidaat had gestaan. Voor het eerst liet het gekonkel van de militairen de Thais eens niet onberoerd.

Thailand had eigenlijk nooit anders gekend dan militaire premiers en het wekte verbazing dat een dergelijk immaterieel onderwerp tot zoveel commotie kon leiden. De verklaring moet worden gezocht in de snelle opkomst van een middenklasse die geen eigen belang meer heeft bij corruptie en handjeklap. De democratische coalitieregering van Chuan Leekpai - een burger - die in september '92 aantrad, slaagde er in de grote invloed van de militairen terug te dringen.

Optimisten als Suchit denken dat Thailand ook niet meer terug kan en de militairen definitief in de kazernes zullen blijven: “Thailand zal de richting op gaan van meer democratie. Ik geloof niet dat we een nieuwe militaire overheersing zullen zien.” Toch liggen er gevaren op de loer, zo erkent ook Suchit. Thailand is er het grote voorbeeld van hoe absolute kapitalistische vrijheid kan leiden tot een positieve opstoot van een heel land in de vaart der volkeren, terwijl tegelijkertijd een reeks negatieve nevenontwikkelingen die groei weer bedreigen.

Eén van de grootste knelpunten is de jarenlange verwaarlozing van de infrastructuur, die met name Bangkok nu dreigt op te breken. Het aantal auto's in de stad van negen miljoen mensen bedraagt drie miljoen, waardoor de hoofdwegen van de stad zijn gedurende een groot deel van de dag dichtgeslibd. Want in openbaar vervoer is vrijwel niet geïnvesteerd, plannen voor de aanleg van een metro of een bovengrondse monorail zijn nooit uitgevoerd. Als regering, het bedrijfsleven of een combinatie van beide geen oplossing vinden voor deze verkeerschaos zal dat Thailand binnen enkele jaren vrijwel zeker remmen in zijn economische vooruitgang. Eén belangrijke stap is inmiddels gezet: aan de noordrand van Bangkok is een satellietstad verschenen, Muan Thon Thani, met kantoren en woonwijken, die met een capaciteit van 250.000 inwoners, de overbevolkte binnenstad kan ontlasten.

Uit berekeningen van internationale milieu-instanties is Bangkok naar voren gekomen als een stad met een van de hoogste percentages luchtverontreiniging ter wereld. Ook dat probleem heeft de Thaise regering onderkend, zonder er nog een oplossing voor te hebben gevonden.

Een ander gevaar is de regionale concurrentie. Het voor de hand liggende lage-lonenland voor buitenlandse ondernemingen is Thailand met zijn 60 miljoen inwoners niet meer. China (1,2 miljard mensen) en Vietnam (70 miljoen) hebben die positie in het Verre Oosten overgenomen. Thailand zou moeten overschakelen naar een hoogwaardiger segment van de industriële produktie. Daarvoor is een goed opleidingsniveau van de werknemers nodig en daar schort het precies aan in Thailand; er is een schreeuwend tekort aan hoog opgeleide mensen. De regering verhoogde met het oog hierop het onderwijsbudget vorig jaar met 13 procent en hoopt zo het aanstormende Vietnam nog op tijd van zich af te kunnen houden, waar lage lonen samengaan met een hoog onderwijsniveau.

In de regio wreekt zich ook de mentaliteit van 'grote stappen - gauw thuis' die Thaise zakenlieden nog al eens plegen te hebben. Tien jaar geleden zagen de Thaise ondernemers al een nieuw Siam, een groot Thais 'rijk', in hun gedachten. Op Suwannaphum, het 'Gouden Schiereiland' Zuidoost-Azië, zou, zo dacht menig industriemagnaat een door Thailand geleid economisch bolwerk ontstaan, ditmaal niet veroverd met speerpunten en buskruit, zoals de Thaise koningen in de vroege middeleeuwen plachten te doen, nee, nu met de baht, de harde Thaise munt als wapen. De regio lag economisch voor het grijpen.

De buurlanden werden in snel tempo ontdaan van hun houtvoorraden en andere natuurlijke hulpbronnen, zonder dat daar iets voor in de plaats kwam in de vorm van nieuwe aanplant of investeringen. Dit 'slash and burn' kapitalisme kent onherroepelijk zijn grenzen, op het moment namelijk dat de produkten op zijn en dat was met bij voorbeeld het hout in Cambodja en Laos al snel het geval.

De Thais misten intussen de slag om Vietnam, waar een lange termijn planning noodzakelijk was. Westerse ondernemingen en gewiekste zakenlui uit Taiwan en Singapore investeerden daar de laatste jaren wel op grote schaal. De Thais lieten dit na en dat dreigt hen, nu Vietnam door het opheffen van het Amerikaans embargo 'free for all' is zuur op te breken.

Het korte termijn denken van Thaise ondernemers valt in eigen land goed af te lezen aan de toerisme-industrie. Tien jaar geleden raakte Thailand 'in' als bestemming voor toeristen uit het Westen en Japan met de lokkers strand, zee, cultuur en bordelen. De inkomsten uit toerisme stegen na het Visit Thailand Year in 1987 van 50 miljard baht (4 miljard gulden) naar 125 miljard baht amper vijf jaar later.

Thaise investeerders stortten zich gretig op de toerismemarkt. Te gretig zo bleek. De snel verrezen hotelcomplexen, de alom aanwezige meisjes van plezier schrikten de (verwende) toeristen uit de industrielanden, op zoek naar een alternatief voor Torremolinos of Bali, af. Het aantal toeristen steeg weliswaar gestaag, maar het aandeel van Westerlingen en Japanners daalde. De groei kwam geheel voor rekening van reizigers uit 'nieuwe' Aziatische landen, zoals Taiwan, Zuid-Korea en China, toeristen die niet zoveel geld hebben te besteden.

Bangkok wil nu zich richten op de Aziatische markt als de natuurlijke toegangspoort tot Zuidoost-Azië en het zuiden van China. Met hun grote buigzaamheid, hun vermogen snel en adequaat op nieuwe ontwikkelingen in te spelen hebben de Thais die mogelijkheid voor een groot deel in eigen hand.

De Chinese gemeenschap is intussen aan een derde leven toe. Mao is dood en zijn gedachtengoed in de Volksrepubliek bijna verslagen. Ineens 'herinneren' Chinese families weer hun afkomst. De Chinese zakenwereld kijkt met een verlekkerd oog naar wat er nu in China gebeurt: een ongebreidelde kapitalistische expansie. De Thais en de Chinezen in Thailand staan te dringen om daar van mee te profiteren.

    • Lolke van der Heide