China 2

Kousbroeks kritiek in het CS van 4 maart ontspoort in excessief woordgebruik. Daar staat tegenover dat zijn jarenlange bête noire zich kwetsbaar heeft gemaakt voor de ad hominem aanval. Het gewraakte boek, geschreven als een autobiografie, eindigt met een hoofdstuk over 'het ongelijk van rechts'. Het is jammer dat Wertheim heeft verzuimd uit te wijden over de blinde vlekken van links. Dat zou zijn terugblik op de gang van zaken in het aardse rijk gedurende de afgelopen decennia evenwichtiger hebben gemaakt.

Aan het slot van zijn betoog brengt Kousbroek de Wertheim-lezing ter sprake waarmee het Amsterdamse Centrum voor Azië Studiën (CASA) jaarlijks het academisch jaar besluit. Dit post-doctorale centrum heeft in 1989 de lezing ingesteld als blijk van waardering voor het wetenschappelijk werk van deze hoogleraar. Als onderzoeker van koloniaal en post-koloniaal Azië geniet Wertheim grote internationale faam, in de eerste plaats in de Aziatische wereld. De colleges die hij tussen 1946 en 1972 aan de Universiteit van Amsterdam heeft gegeven stonden in het teken van zijn zicht op en verbondenheid met de strijd om lotsverbetering van het grote deel van de mensheid woonachtig in de door hem bestudeerde samenlevingen. CASA beschouwt Wertheim als een eminent voorganger in de Amsterdamse traditie van historisch-sociologisch onderzoek en brengt in de naamgeving van een jaarlijkse lezing de voortzetting van zijn werk tot uiting.

Naschrift Rudy Kousbroek:

'Wertheim heeft verzuimd uit te wijden over de blinde vlekken van links' - dat is wel het understatement van de eeuw. In vergelijking daarmee wordt alles excessief woordgebruik. (Misschien had ik het voorbeeld moeten volgen van Wertheim zelf, die zijn tegenstanders bij voorkeur voor Hitler-knechten uitmaakt en brallend Nazi-Duits in de mond geeft).

China om de zeven jaar is een apologie voor massamoord, een andere beschrijving is er niet van te geven. Er bestaan dingen die werkelijk schandelijk zijn en wanneer het niet om Chinezen maar een andere bevolkingsgroep ging, ongetwijfeld aanleiding zouden geven tot opschudding en kamervragen: dat is, in alle rust en zonder excessief woordgebruik geconstateerd, hier het geval. Ik aarzel niet te zeggen dat ik het bestaan van een Wertheim-lezing een blamage vind voor CASA en de Amsterdamse Universiteit, zoals een Faurisson-lezing dat zou zijn, ongeacht wat Faurisson gepresteerd heeft op zijn vakgebied.

Verder moet mij van het hart dat het als 'evenwichtig' voorstellen van een afweging van het 'ongelijk van rechts' tegen 'blinde vlekken van links', wanneer met dat laatste het Maoïsme wordt bedoeld, in mijn ogen van een gebrek aan gevoel voor proporties getuigt.