China 1

In zijn column 'Nachtmerries vol moord en doodslag' in het CS van 18/2 vindt Rudy Kousbroek weer eens een gelegenheid om aan zijn serie scheldpartijen tegen mijn persoon een nummertje toe te voegen. Deze keer noemt hij mij 'deze aartsleugenaar', vanwege een door mij in mijn kort geleden verschenen boek China om de zeven jaar geciteerd cijfer over het aantal dodelijke slachtoffers van de Culturele Revolutie in China. Hij schrijft dat ik zomaar beweer: 'Daarbij zouden in China in plaats van 'miljoenen' niet meer dan 35.000 mensen om het leven zijn gekomen' - net alsof dit alleen maar een verzinsel van mij zou zijn. Wat ik in mijn boek, op de pagina's 326 en 327, werkelijk schrijf, is letterlijk:

'Men zou veronderstellen dat de nieuwe leiders, na de dood van Mao in 1976 aan de macht gekomen, er met hun volstrekte afwijzing van de gehele Culturele Revolutie belang bij zouden hebben het aantal dodelijke slachtoffers daarvan zo hoog mogelijk te stellen. Maar in de aanklacht in het proces dat in 1980-1981 tegen 'De Bende van Vier' werd gevoerd, is dit aantal dodelijke slachtoffers gesteld op ongeveer 35.000. Zonder aan dit cijfer enige absolute geldigheid toe te kennen, acht ik hiermee toch een orde van grootte aangegeven die ver achterblijft bij de bij het grote publiek buiten China ontstane beeldvorming. Vermoedelijk waren de aanklagers zich ervan bewust dat het noemen van een veelvoud bij de Chinese bevolking niet geloofwaardig zou overkomen. Natuurlijk zijn 35.000 slachtoffers er nog 35.000 te veel, vooral in een periode waarin er noch van oorlog, noch van burgeroorlog sprake was.'

Mijn bron was het officiële document A Great Trial in Chinese History: The Trial of the Lin Biao and Jiang Qing Counter-Revolutionary Cliques, Nov. 1980-Jan. 1981 (1981), p. 20: 'A Total of 729.511 people were framed and persecuted in cases mentioned in the Indictment of whom 34,800 were persecuted to death'.

Volgens mijn gewoonte en goed wetenschappelijk gebruik was mijn zoëven weergegeven mededeling dus geen 'leugen', maar een volkomen verantwoorde weergave van de inhoud van de door mij genoemde aanklacht. Als hier sprake is van een leugen, dan slaat dit op Kousbroek zelf. Vals citeren is een kwalijke vorm van liegen.

Ook in mijn telefoongesprek met een redactrice van De Telegraaf - geen interview zoals Kousbroek veronderstelt - heb ik hetzelfde cijfer genoemd, alweer bij wijze van 'orde van grootte'. Het gesprek ging over het verschil in visie op de ontwikkelingen op agrarisch gebied tussen Jung Chang en mij. De redactrice citeert mij juist, inzover ik de schrijfster een echt 'stadsjuffertje' noem, die in haar boek Wilde Zwanen nooit echte belangstelling toont voor de verhoudingen op het platteland.

Maar ik heb haar nooit 'een vluchteling' genoemd, noch op die grond haar visie en relaas 'onbetrouwbaar' genoemd.

Ik wil er aan toevoegen, dat ik haar beschrijving van haar persoonlijke belevenissen en die van haar familie niet alleen als betrouwbaar beschouw, maar ook als heel indrukwekkend.

P.S. Pas nadat ik bovenstaande reactie op Kousbroek's column in het CS van 18 februari had ingestuurd, verscheen in het CS van 4 maart zijn van volslagen ondeskundigheid getuigend tweede stuk, aangediend als een bespreking van mijn boek China om de zeven jaar. De redactie stelt mij in de gelegenheid mijn bovenstaande reactie aan te vullen met een antwoord op dat tweede stuk.

Daaraan heb ik geen behoefte. Zijn aanval op mijn persoon en op mijn wetenschappelijke kwaliteiten berust zo volkomen op leugenachtige verdraaiingen van wat ik in dat boek schrijf, dat een discussie op dat niveau beneden mijn waardigheid als man van wetenschap is.

    • Wim F. Wertheim