Anna en het Paard

Anna gaat vaak bij oma Peppel op bezoek. Oma Peppel woont aan de rivier in een huis met rood-groene luiken. Toen Anna op een ochtend door de uiterwaarden naar de rivier liep, kwam ze een paard tegen. 'Goedemorgen paard,' zei Anna tegen het paard. Het paard hield stil en keek naar Anna. Op hetzelfde ogenblik kreeg Anna het gevoel dat ze droomde. Het paard was betoverend mooi. Het had glanzende, chocola-bruine ogen, een hazelnootkleurige vacht, lange blonde manen en golvende staartharen. Maar wat Anna het allerleukste vond, waren zijn oortjes. Het paard had grappige, bewegelijke oortjes die zo zacht waren als fluweel.

Toen Anna thuiskwam, vertelde ze over het paard. Maar oma Peppel zei dat ze het paard nog nooit had gezien. Anna kon het paard niet uit haar gedachten zetten en de volgende ochtend ging ze opnieuw naar de uiterwaarden. Het paard stond in de verte bij de rivier. Zodra hij haar zag, kwam hij in galop op Anna af. Even later stond hij, dampend en met wijd opengesperde neusgaten, tegenover haar. Anna gaf hem suikerklontjes en aaide over zijn neus. Die was zacht als flanel. Anna boog zich voorover en gaf het paard spontaan een kusje op zijn bovenlip.

Zolang Anna bij oma Peppel logeerde, ging ze iedere ochtend naar de uiterwaarden. Het paard stond dan al op haar te wachten. Soms hing de nevel laag boven de uiterwaarden en dan was het alsof het paard door wolken werd gedragen. Door de nevel kon je niet eens zijn benen zien. Op een dag zei Anna tegen het paard: “Goedemorgen droompaard. Ik moet je iets vertellen. Morgen ga ik naar huis en ik kan je niet meenemen want ik woon in de stad. Maar ik zal oma Peppel vragen of zij je suikerklontjes wil brengen.”

De volgende dag vertrok Anna. Oma Peppel had beloofd dat zij suikerklontjes naar het paard met de fluwelen oortjes zou brengen. Anna kon het paard maar niet vergeten. Ze droomde erover en ze belde Oma Peppel dikwijls op om te vragen hoe het met paard ging. “Het is een schichtig paard en als ik in de uiterwaarden ben, loopt het voor me weg,” zei oma Peppel. Op een ochtend werd Anna verdrietig wakker. Ze had een nare droom gehad. Ze had gedroomd dat ze bij oma Peppel door de uiterwaarden liep. Ze had gewacht tot de nevel was opgelost in de warme zonnestralen maar het paard was niet verschenen. 's Middags was ze opnieuw naar de rivier gegaan. Het zicht was nu heel helder. Ze kon ver zien maar van het paard had ze geen spoor kunnen ontdekken. Ach, het is maar een droom, dacht Anna, maar toch belde ze oma Peppel op om naar het paard te vragen. “Het paard is verdwenen,” zei oma Peppel. “Ik heb het door de nevel zien wegdraven en sindsdien heb ik het niet meer gezien. Het zal wel verderop in de uiterwaarden staan. Als ik weer over de dijk fiets, ontdek ik dat paard heus wel weer.”

De eerstvolgende keer dat Anna bij oma Peppel logeerde, ging ze meteen met suikerklontjes naar de uiterwaarden. Ze wachtte bij de rivier. Het wachten duurde lang. Intussen gooide ze steentjes in de rivier en keek ze naar de steeds groter wordende kringen rond de plek waar het steentje in de rivier was verdwenen. De zon ging onder en Anna keerde terug naar het huis met de rood-groene luiken van oma Peppel. Het paard met de fluwelen oortjes heeft Anna nooit meer gezien.