Affaire HCS-aandelen voor de rechter: op zoek naar de witte vlekken in de wet

Na jaren onderzoek wil justitie volgende week voor het eerst misbruik van voorwetenschap bij een effectentransactie aantonen. Officier van Justitie Van Nierop wil dat de rechter met jurisprudentie 'de witte vlekken' invult in de wetgeving die beleggers moet behoeden voor manipulatie. Ging het automatiseringsbedrijf HCS ter ziele na een miljoenenfraude van grootaandeelhouders?

Sinds 1991 speurt justitie of bij de aandelenhandel van het een jaar later ter ziele gegane automatiseringsbedrijf HCS bewust is gemanipuleerd. De beurs heeft twee jaar geleden al commissionair Suez veroordeeld, maar justitie formuleerde pas vorige week een aanklacht. Is er sprake van brutale miljoenenfraude door grootaandeelhouders, geregisseerd door ABN Amro, zoals betrokkenen bij het teloorgegane HCS menen? Of klopt het beeld dat banken en commissionairs schetsen en gaat het om een Shakespeariaanse Comedy of Errors?

Het voorspel begon op 30 juli 1991 op kantoor Herengracht van ABN Amro in Amsterdam. Drie HCS-grootaandeelhouders - Begemann-president J.A.J. van den Nieuwenhuyzen, Unigro-topman E.Th.A. Albada Jelgersma en eigenaar van stoeterij Zangersheide L.N. Melchior - de top van HCS en vertegenwoordigers van de banken, ABN Amro, Credit Lyonnais Bank Nederland en ING Bank (destijds nog NMB), kwamen daar bijeen. HCS verkeerde in ernstige moeilijkheden: het bedrijf had zich aan grote buitenlandse overnemingen vertild en de grenzen van het krediet waren bereikt.

Op deze zomeravond werd gesproken over een kapitaalsinjectie, een stap die in combinatie met de aandelenhandel op de volgende dag leidde tot het justitiële onderzoek. De bijeenkomst stond onder leiding van mr R.G.W. Groenink, die via de afdeling Bijzondere Kredieten was opgeklommen tot jongste lid van de raad van bestuur van ABN Amro. Groenink is nu voorzitter van het kredietcollege, het belangrijkste college van een bank dat functioneert naast een raad van bestuur. Hij wordt getipt als één van de toekomstige bestuursvoorzitters van ABN Amro.

Groenink stelde het gezelschap voor onderhands nieuwe aandelen HCS uit te geven. Bij een onderhandse emissie wordt de uitgifte-prijs gerelateerd aan de beurskoers. De aandeelhouders die niet mogen meedoen, moeten immers niet het idee krijgen dat zij worden benadeeld. Omdat de besprekingen voor zo'n onderhandse emissie gevoerd wordt met enkele beleggers is deze situatie gevoelig voor manipulatie. Zou er gekozen zijn voor een openbare emissie, dan zou de koers niet van belang zijn omdat immers iedere belegger daarop kan intekenen en er van gelijke behandeling sprake is.

Deelnemers aan het Herengracht-beraad zijn weinig scheutig met rechtstreekse informatie want 'de zaak is onder de rechter'. Toch is aan de hand van een groot aantal gesprekken te construeren hoe de bijeenkomst verliep. De eerste vraag daarbij was waarom Groenink niet voor de koninklijke weg van een openbare emissie koos. Zeker is dat de grootaandeelhouders graag zo'n openbare emissie wilden. Het negatieve prospectus dat voorafgaand aan de emissie zou worden uitgegeven, zou zeker tot een forse daling van de koers hebben geleid. En na deze koersval zouden de grootaandeelhouders voor een luttel bedrag de meerderheid krijgen.

Groenink voelde daar niet voor. Een prospectus uitgeven is een tijdrovende zaak en tijd heeft een bedrijf dat er zo slecht voorstaat niet meer, zo meende hij. Bovendien zou zo'n prospectus over een aangeslagen bedrijf als HCS negatieve publiciteit met zich meebrengen, met alle gevolgen voor de bedrijfsvoering: klanten bestellen niet meer en leveranciers laten het afweten.

Rond tien uur hadden de grootaandeelhouders zich verzoend met het idee van ABN Amro: een onderhandse emissie. Ze toonden zich bereid daaraan mee te werken, maar niet tegen elke prijs, en zeker niet tegen de toen geldende beurskoers van 4 gulden. Grootaandeelhouder Van den Nieuwenhuyzen vroeg zich af hoe hij de koers op een niveau van pakweg 2 gulden zou moeten krijgen. ABN Amro-bestuurder Groenink zei toen: “Joep, je hebt toch miljoenen aandelen. Dan verkoop je toch wat?” Waarop Van den Nieuwenhuyzen zei: “Maar dat kan toch niet. Groenink: “Nee, dat kan niet.”

Aan het einde van de zitting, het was inmiddels twee uur 's nachts, hoorden twee aanwezigen Groenink zeggen: “Voor het geval de koers stijgt, moeten de groot-aandeelhouders ervoor zorgen dat op een bepaald moment de koers beneden de 2,50 gulden komt, al was het maar even. Daarna mag de koers wel weer omhoog gaan. Dan hebben wij een argument om de emissiekoers te bepalen op 2,50 gulden.”

Volgens ABN Amro is dit nooit gezegd en pertinent onjuist. Volgens medewerkers van de bank die bij het beraad aanwezig waren, gaat het hier om een interpretatie. Het openbaar ministerie stelt echter in de dagvaarding dat bankmedewerkers hebben gezegd dat de banken alleen zouden meewerken als de koers niet hoger was dan 2 gulden. Hoe dan ook, iedereen hoopte dat de koers zou dalen. Anders zou een onderhandse emissie niet mogelijk zijn en zou HCS moeten wachten op een emissieprospectus. Uit de officiële stukken blijkt de afspraak: een emissie van 127,5 miljoen gulden, zo mogelijk onderhands tegen een prijs van maximaal 2,50 gulden per aandeel. Wanneer de beurskoers dat niet zou rechtvaardigen, zou er alsnog een publieke emissie komen.

De volgende dag, 31 juli, verspreidde HCS een persbericht over de 'reddingsoperatie'. Daarin stond niet dat banken en grootaandeelhouders voorkeur hadden voor een onderhandse emissie. HCS meldde alleen: 'De modaliteiten worden nog nader bekendgemaakt'. Na dit voorspel volgde die dag wat later eufemistisch in beurskringen 'koersorkestratie' werd genoemd. Van den Nieuwenhuyzen plaatste in overleg met de andere grootaandeelhouders bij commissionair Suez een order voor de verkoop van 'enkele honderdduizenden aandelen HCS'. Maar commissionair Jolmer Gerritse van Suez verhandelde die dag 4,1 miljoen aandelen op naam van Van den Nieuwenhuyzen. De koers kwam daarmee onder de gewenste 2,50 gulden en op 1 augustus maakte HCS een onderhandse emissie bekend van 2,50 gulden. Alles was daarmee conform de wens van de vergadering verlopen.

Het naspel was echter onvoorzien. De beurscommissaris van de notering haalde op 1 augustus de handel van de 31ste door op verdenking van 'koersorkestratie'. Toen vrijdag 2 augustus de handel in aandelen HCS werd hervat, kwam de koers aanzienlijk hoger dan op de 31ste juli: 3,70 gulden.

De meningen over de 'koersorkestratie' lopen uiteen. Commissionairs en banken houden het op een ongelukkige samenloop van omstandigheden, waarbij van boze opzet van Van den Nieuwenhuyzen geen sprake is. “Doodjammer zo'n misverstand tusen Joep en Suez, en ongelooflijk ongelukkig” is de mening van één van de betrokkenen. De door justitie vorig jaar ingeschakelde prof. Th. Vermaelen wijst in een door Elsevier onthuld rapport op manipulatie en schat het voordeel voor de beleggers op 16,56 miljoen gulden.

Maar simpele bewijzen ontbreken vooralsnog. Van den Nieuwenhuyzen gaf immers een beperkteopdracht aan commissionair Gerritse. Was het niet de ruime interpretatie van de commissionair die aanleiding gaf tot de commotie?

Het risico dat Gerritse nam om in plaats van 'enkele honderdduizenden' 4,1 miljoen aandelen te verkopen, betitelt men in de commissionairswereld als 'krankzinnig'. Het gebeurt in de aandelenhandel vrij regelmatig dat er verschil van mening is tussen opdrachtgever en commissionair. In het uiterste geval moet een commissionair en niet de klant de te veel verhandelde aandelen leveren. De commissionair gaat dan in vaktermen short. Gerritse had in dit geval dus voor miljoenen aandelen short kunnen gaan. Zo'n grote misser is in de commissionairswereld onbekend. Even opvallend als de ruime interpretatie van Gerritse is de vergevingsgezindheid van de verkoper: aan het eind van de dag gaat Van den Nieuwenhuyzen akkoord met de transactie: gedaan is gedaan.

De Commissie van Beroep van de Amsterdamse beurs gaat er, zo blijkt uit haarrapportage, van uit dat de opdracht tussen Van den Nieuwenhuyzen en Gerritse iets verder ging. Zij meent dat niet het aantal aandelen maar de koers van belang was. De bewijsbaarheid is opnieuw een probleem, omdat er bij de transacties van onbekende Luxemburgse tussen-vennootschappen gebruik zou zijn gemaakt.

De commissie constateerde: “Aandeelhouders (en verdere betrokkenen) kozen ervoor geen emissieprijs vast te stellen, doch te zien wat de markt zou doen en deze markt te manipuleren teneinde tot een hun welgevallige koers te komen.” Op 13 augustus 1992 berispte de commissie Suez en de commissionair. “Commissiehuizen behoren, bij de thans bestaande maatschappelijke opvattingen, in het algemeen geen medewerking te geven aan de uitvoering van orders in gevallen waarin hun bekend is dat de handel tot stand komt tussen partijen die ongelijk zijn geïnformeerd.” De twee kregen geldboetes van respectievelijk 300.000 en 75.000 gulden waarvan 225.000 en 60.000 gulden voorwaardelijk.

De beurscommissie is niet ingegaan op de vraag of aandeelhouders en andere betrokkenen wel zo'n opdracht mochten geven. De beurscommissie spreekt behalve over aandeelhouders ook over 'verdere betrokkenen' (de banken). Justitie besloot, na onderzoek door de beurs en de Economische Controledienst, de banken niet te vervolgen. Volgens zegslieden die de bewuste vergadering op de 30ste juli hebben bijgewoond, heeft justitie verzuimd HCS-bestuurders en aanhang te verhoren over de rol van de banken. Deze bronnen menen dat justitie ten onrechte koerst op de verklaringen van bankemployees over de grootaandeelhouders. Justitie zegt daarentegen een 'compleet beeld' van de zaak te hebben. In het bankwezen worden de reacties uit de HCS-hoek afgedaan als het natrappen van mensen die niet konden verkroppen dat de emissie niets uithaalde en HCS in 1992 alsnog failliet ging.

De grootaandeelhouders, Albada Jelgersma, Melchior en Van den Nieuwenhuyzen hebben een zwartboek bij ABN Amro gedeponeerd, omdat Groenink zich niet aan zijn afspraken zou hebben gehouden om HCS te redden. De 50 miljoen gulden nieuw kapitaal van de grootaandeelhouders zou voor het grootste deel gebruikt zijn om bankleningen af te lossen. Schadevergoeding zou een pleister op de wonde zijn voor Melchior die 90 miljoen, Albada Jelgersma die 80 miljoen en Van den Nieuwenhuyzen die een kleine 30 miljoen gulden verloren door het HCS-debâcle. Deze drie aandeelhouders gelden als zeer vermogend, maar dergelijke grote verliezen liggen ook hen zwaar op de maag.

ABN Amro wijst echter schadevergoeding resoluut af onder verwijzing naar de eigen verliezen: op de leningen van 450 miljoen gulden is ruim 150 miljoen afgeschreven. Er staat bovendien nog 270 miljoen gulden uit bij HCS-dochter Infotec waarvan de toekomst onzeker is.

Veel groter is de schade, materieel en immaterieel, voor vooral Van den Nieuwenhuyzen. Omdat justitie jarenlang met het gerechtelijk vooronderzoek bezig is geweest, miste zijn bedrijf Begemann, de beursgang van dochter Bredero Price. Het bedrijf werd, overigens nog tegen een grote boekwinst, onderhands verkocht. Volgens Van den Nieuwenhuyzen heeft Begemann door de HCS-affaire 'miljoenen schade geleden'. Hij had nooit gedacht dat het vooronderzoek zo lang zou duren.

In de witte torens van de Amsterdamse justitie aan de Parnassusweg laat men zich echter niet opjagen. Officier van justitie mr. W. van Nierop is sinds 1990 hoofd van de fraude-afdeling van het openbaar ministerie. Beurszaken zijn Van Nierops specialisme 'en het aantal uren dat ik besteed aan beursfraude is heel erg groot'. Dit is de eerste zaak over voorkennis die hij voor de rechter brengt. Hij heeft er al op gewezen bij de wetgeving een aantal witte plekken zijn opengelaten die de rechter moet opvullen. Welke dat zijn, wil hij pas volgende week bekend maken op de zitting. De kans is groot dat eerst, na een ongetwijfeld langdurige rechtszaak, jurisprudentie moet worden geschapen, voordat daadwerkelijk een veroordeling wegens 'misbruik van voorwetenschap' kan volgen.

    • WABE van ENK