Aan iemand die alles verzint, heb je niets; Het verlanegn naar engagement in de literatuur

Je hoort het weer opvallend vaak, het woord engagement; vooral met betrekking tot de literatuur. In Nederland zien we allerlei uitbarstingen van wreedheid en wanhoop op de televisie. De Nederlandse schrijver ziet dat ook, maar hij kan zich er onmogelijk op een geloofwaardige manier mee identificeren. Heeft de literaire verbeelding ons niets meer te bieden?

Sinds een paar weken is er weer een land waar je als Nederlander niet naartoe mag. Of het al tot iedereen is doorgedrongen, weet ik niet, de respons schijnt tot nu toe niet overweldigend te zijn, maar onlangs is er een toeristische boycot afgekondigd tegen Noorwegen. Er zijn al reisbureau's die helemaal geen reizen meer naar dat land aanbieden, nog een stel andere raden de mensen streng af er naartoe te gaan; ze boeken alleen nog reisjes naar Oslo, Stavanger en Trondheim wanneer hun klanten erop staan. De reden is bekend: Noorwegen is, samen met Japan, het enige land dat weigert de internationale verdragen te ondertekenen die de walvisvaart verbieden.

Zo'n boycot roept een gevoel op dat verdacht veel op nostalgie lijkt. Denk aan de jaren zestig en zeventig en het lijstje van verboden vakantielanden ontrolt zich als vanzelf in je hoofd: Griekenland onder de kolonels, Spanje onder Franco, Zuid-Afrika onder Vorster, Argentinië onder Videla, Chili onder Pinochet. In die jaren deden deze dictaturen dienst als de krachtige symbolen van het toeristische engagement; in de hotels in die landen wilde je niet slapen, op de terassen daar wilde je niets drinken, op die stranden wilde je niet bruin worden. En géén Outspan-sinaasappels, géén Griekse druiven, géén Chileense wijn.

Ook in de kunst was dat onderscheid gemakkelijk te maken, want daar had je de culturele boycot: goed was Neerlands Hoop, dat eind jaren zeventig manmoedig maar tevergeefs actie voerde tegen het meedoen van Nederland aan de wereldkampioenschappen voetbal ('Bloed aan de paal!'), fout waren Tina Turner, Heintje en W.F. Hermans, want die dansten en zongen en lazen voor in Zuid-Afrika. Het klinkt allemaal bijna idyllisch van eenvoud, vooral omdat het zo voorgoed voorbij is.

Met het verdwijnen van de morele zelfverzekerdheid omtrent links en rechts, goed en fout, verloor het politiek activisme aan kracht, en dus de populaire vorm ervan, het toeristisch activisme. Sommige dictaturen verdwenen, andere beloofden zich te beteren, de discussies of je je in een bepaald land wel kon vertonen verstomden, omdat jouw duurbetaalde vakantie daar best wel eens het democratiseringsproces zou kunnen versnellen. Fidel Castro is niet weg te branden, de bevolking van Cuba leeft massaal onder het bestaansminimum, maar de hotels op Cuba zijn inmiddels overboekt. Turkije is nog lang niet democratisch genoeg voor een lidmaatschap van de Europese gemeenschap, maar Nederlandse toeristen laten zich alleen afschrikken wanneer er op het strand een Koerdische of fundamentalistische bom ontploft. Indonesië behoort tot de meest repressieve landen ter wereld, maar ik ken niemand die er weigert naartoe te gaan vanwege ethische bezwaren.

En nu dan Noorwegen. Het is geen toeval dat het om dieren gaat. Een walvis is weerloos en bijna uitgestorven en wie voor zijn lot opkomt, raakt niet in allerlei onoplosbare morele dilemma's verstrikt; die paar werkeloze vissers kunnen wel omgeschoold worden. Op het gebied van de bedreigde flora en fauna werkt het moreel kompas nog feilloos: Sing it, Sting! Het is de enige vorm van engagement die nog springlevend is, het eco-engagement.

Mensenliefde

Het was Jean-Paul Sartre die zei dat dierenliefde meestal ten koste gaat van mensenliefde. Sartre had gelijk, maar hij had ook gemakkelijk praten. Juist de onbekommerdheid waarmee hij keer op keer zijn vingers brandde aan de wereldpolitiek, heeft ervoor gezorgd dat intellectuelen nà hem liever twee keer nadenken alvorens ze orde op zaken gaan stellen in de wereld - àls ze zichzelf al intellectueel durven noemen. Na de geëngageerde capriolen van mensen als hij, en in Nederland Harry Mulisch, is een zekere schroom om apodictische uitspraken te doen over de wereld, om het woord bij de daad te voegen, zal ik maar zeggen, niet zo héél onbegrijpelijk. Wat rest is onzeker en onduidelijk; nu het engagement geen sterke ideologische drijfveren meer kent (het bewind van Castro heeft allang geen morele meerwaarde meer boven dat van Battista, het verschil tussen Hitler, Stalin en Mao wordt met de dag kleiner, en ook zwarte Zuid-Afrikanen blijken onmenselijk te kunnen zijn), lijkt het afgelopen met de morele zelfverzekerdheid (of zelfgenoegzaamheid) die nu eenmaal de kern vormt van ieder doelgericht engagement.

Toch hoor je het weer opvallend vaak, dat woord; vooral met betrekking tot de literatuur. Er worden weer literaire avonden georganiseerd over engagement, om de zoveel tijd verschijnt er een aflevering van een literair blad, waarin jonge schrijvers (wat in Nederland betekent: schrijvers van onder de 40) gevraagd wordt zich uit te spreken over engagement. En zo'n schrijver kan geen boek publiceren of er wordt hem in de krant, of op de radio of televisie gevraagd waar hij zich nu eens voor zou willen inzetten (of zoals de redactrice van een populair praatprogramma het tegen mij in een zogeheten voorgesprek uitdrukte: 'Waarvan krijg jij nu het gevoel, ik pak een steen en gooi hem door een ruit.' Ik werd niet uitgenodigd.)

In De Groene Amsterdammer schreef Chris Keulemans een paar maanden geleden een boos stuk tegen naamloze schrijvers die wegbleven op een bijeenkomst van Index on Censorship voor schrijvers uit het voormalige Joegoslavië, schrijvers die zich hadden teruggetrokken in hun 'koopwoning.' Een uitgeverij prijst in een advertentie een boek over Cambodja aan als 'geëngageerde reisliteratuur'. Wat heerst, denk ik, is het gevoel dat het schrijven van fictieve verhalen in deze tijd op de een of andere manier niet meer voldoet; na al die vrijblijvende woorden vindt men dat er nu ook maar weer eens een daad moet worden gesteld. Wil de literatuur meer zijn dan een vrijblijvende vorm van vermaak, dan zullen schrijvers zich wat meer met de wereld moeten bemoeien.

Dat gevoel zal ook meegespeeld hebben toen deze krant een aantal Nederlandse schrijvers vroeg op de Opinie-pagina over de Nederlandse politiek te schrijven. En gebrek aan engagement blijkt heel provocerend. De Groene Amsterdammer portretteerde enkele weken geleden de allernieuwste schrijversgeneratie onder de geschokte kop 'Generatie Nix'. Bij engagement hoort een generatie, moet De Groene gedacht hebben, dus bij gebrek aan engagement ook. En hoewel een schrijversgeneratie tegenwoordig even lang mee gaat als de nieuwste generatie koelkasten en midi-sets - dat wil zeggen, ongeveer anderhalve maand - constateerde het weekblad dat deze schrijvers van de toekomst zich slechts hartstochtelijk engageerden met het Grote Niets. Niets beleefd, niets te vertellen, nergens zin in; dat is het motto waarmee de afgelopen eeuw vrijwel iedere nieuwe literaire generatie zich heeft gepresenteerd; nihilistische en hedonistische mijmeringen van deze jonge schrijvers, die opgewekt het levensgevoel van Rimbaud, Nick Cave en Annie M.G. Schmidt sampelen, zijn alleen schokkend voor mensen die van schrijvers nog zoiets als een sociaal bewustzijn en een betrokken blik op de wereld verwachten.

De roep om uitgesproken literair engagement draagt iets nostalgisch in zich, denk ik, heimwee naar het verleden toen het allemaal zo lekker fel toeging; net als die boycot tegen Noorwegen. In dat opzicht is het in de eerste plaats een binnenlandse aangelegenheid, een protest tegen de eigen saaiheid. Naarmate er meer boeken verschijnen, lijken de schrijvers aan persoonlijkheid te hebben ingeboet.

Televisie

Vergeleken bij de portie opwinding die de gemiddelde Nederlander per dag krijgt voorgeschoteld, spreekt het schrijverschap niet erg tot de verbeelding. Dat heeft met de media te maken; wat moet een praatprogramma met een schrijver die de hele dag achter zijn bureau zit en als je niet uitkijkt ook nog stamelend het verhaal van zijn nieuwste roman gaat uitleggen? Er zijn iedere dag schrijvers op televisie en de radio om hun nieuwste boeken aan te prijzen, maar anders dan gesuggereerd wordt is de televisie er niet voor de schrijvers; die schrijvers vullen de televisie voor een uurtje, ze worden erdoor opgeslokt en er weer door uitgespuwd. En dat is te zien: niemand op de Nederlandse televisie kijkt zo ongemakkelijk, zo defensief, als de gemiddelde Nederlandse schrijver.

Bij het medium televisie gaat het altijd om de suggestie dat alles wat je ziet waar gebeurd is, om echte gevoelens en emoties, dus aan een vrouw of man die omstandig een verzonnen verhaal komt vertellen, dat vaak genoeg ook nog eindigt in abstracties of gruwelijk klinkende algemeenheden over het leven en de liefde, heb je niets. Tenzij je hem natuurlijk zover kunt krijgen dat hij toegeeft helemaal niets te verzinnen, dat ook hij naar de hoeren gaat, incestslachtoffer is, een vreselijke ziekte onder de leden heeft. Maar dat lukt alleen bij slechte schrijvers, want goede schrijvers zitten daar niet voor zichzelf, maar voor hun boek. Je ziet dat wanneer Maartje van Weegen een Nederlandse schrijver ondervraagt: je kunt de irritatie op haar gezicht zien groeien wanneer ze haar onwillige gast de bekentenis probeert af te dwingen dat die ene ongelukkige vrouw halverwege het boek eigenlijk zijn of haar moeder is.

Het algemene beeld dat achterblijft is dat van de schrijver als slachtoffer, als sjacheraar, of als speelbal van een medium dat hem wezensvreemd is. Je kunt nog zulke scherp geformuleerde gedachten en ideeën over de wereld hebben, maar voordat je het weet zit je als tweede gast naast Imca Marina, die vertelt hoe zij in een vorig leven buikdanseres in het oude Egypte is geweest. En één keer per jaar, binnenkort zelfs twee keer, mag een schrijver, struikelend over zijn eigen schoenveters, op televisie een ton prijzengeld komen ophalen, waar hij vervolgens geestelijk - zo blijkt later - bijna aan onderdoorgaat.

Verveling zal niet de enige oorzaak zijn van die nieuwe behoefte aan literair engagement. In de kranten lees je iedere dag opnieuw dat de Nederlandse burger zich van de politiek heeft afgekeerd, omdat die te ver van hem af zou staan. De schuld wordt altijd gezocht bij de politici, die het contact met de samenleving verloren zouden hebben. Wat ze in werkelijkheid verloren hebben is hun uitstraling van moreel gezag, niet omdat ze zo'n verderfelijk leven leiden, maar omdat de politieke dogma's die Nederland sinds de Tweede Wereldoorlog in zijn greep hielden (links is links en rechts is rechts and never the twain shall meet) eenvoudig niet meer bestaan. Met haar ideologische bevlogenheid is de politiek ook haar herkenbaarheid kwijtgeraakt.

Zelfgenoegzaam

Dat de politiek, zoals in de media wordt verkondigd grote groepen in de samenleving 'in de kou laat staan' heeft veel minder te maken met sociale factoren, met de hoogte van uitkeringen, de onrust in de arme wijken, de afschaffing van het reiskostenforfait, dan met het ontbreken van een politieke identiteit waaraan de kiezer zich kan spiegelen. In de jaren tachtig is Nederland voor een tweede keer ontkerstend, maar nu politiek. Niet alleen zijn alle kiezers inmiddels zwevende kiezers geworden, ook de politieke partijen zijn de vaste grond onder hun voeten kwijt. Wanneer de voorman van de liberale partij pleit voor het herstel van de oude christelijke waarden, dan mag je zeggen dat het politieke kompas naar alle kanten draait.

Tegelijkertijd kan niemand zich meer aan het idee onttrekken dat direct nadat Francis Fukuyama een paar jaar geleden zelfgenoegzaam het einde van de geschiedenis had aangekondigd, de wereld op drift geraakt is. Waar vooruitgang werd beloofd, lijkt ineens regressie te zegevieren. Kwesties van nationaliteit en identiteit blijken tegen iedere rationele verwachting in van levensbelang. De o-zo vertrouwde verlichtingsidealen van vooruitgang en eenwording liggen plotseling op de vuilnishoop van de geschiedenis en niemand die precies weet hoe ze daar terecht zijn gekomen. Bovendien blijkt Nederland een steeds kleiner land in een steeds groter wordende wereld: we staan overal bij en kijken ernaar - op de televisie.

Wat moet een Nederlandse schrijver daarmee aan in zijn werk? Moet hij zich op papier engageren met de wereld om hem heen? Kàn hij dat eigenlijk wel, deze gedwongen toeschouwer zonder ideologie, iemand die per definitie aan de zijlijn van 'het wereldgebeuren' staat, een zappende ooggetuige? In een groot deel van Europa mag de chaos voor de deur staan, met de interne spanningen in Nederland valt het nog altijd erg mee, alle pogingen van de journalistiek en politici ten spijt om de vreemdelingenhaat te dramatiseren en Janmaat, die Jenny Goeree van onze politiek, tot mediamonster te maken (vraag in onderzoek: 'Vindt u dat buitenlanders zich moeten aanpassen?' Antwoord van de meerderheid: 'ja'. Conclusie: 'Het gedachtengoed van de CD wordt door brede lagen van de Nederlandse bevolking omhelst!'). Wanneer er hier iets erg is, heb je het over de grens altijd nog even erger.

Zo gezien ligt de roep om meer engagement in het verlengde van het hevige verlangen naar meer 'straatrumoer' in de Nederlandse literatuur, zo'n tien jaar geleden. Schrijvers van nu worden met klem verzocht om hun kleine, alledaagse binnenkamerbesognes te laten voor wat ze zijn en eens wat meer CNN in hun boeken te stoppen. Er zijn auteurs die daar gehoor aangeven, zij richten hun blik doelbewust over die grens heen en engageren zich in hun romans met de wereld zoals die via het nieuws tot hen komt. Maar romans waarin de schrijver zich vastklampt aan de actualiteit, waarin de personages voortdurend tegen hedendaagse fenomenen of de hedendaagse geschiedenis aanlopen, maken meestal niet veel meer duidelijk dan dat de schrijver in de wereld wil staan. Dat resulteert vaak in een nogal gewild soort dramatiek op afstand; veel van die romans beginnen na een paar bladzijden onherroepelijk een gelijkenis te vertonen met deeltjes uit de reeks Het aanzien van. Een schrijver moet zoveel mogelijk van de wereld opzuigen, zich niet laten opzuigen door de wereld.

Wreedheid

Dat is het Hollandse dilemma: getuige van iets zijn, betekent nog niet dat je er ook deel aan hebt. Een Nederlander, dus ook een Nederlandse schrijver, is de afgelopen jaren dag in dag uit geconfronteerd met de burgeroorlog in het voormalige Joegoslavië. Hij is omringd door alle voorstelbare fantomen van wreedheid, verdorvenheid en verdwazing, hij ziet slachtingen en uitbarstingen van wanhoop, maar hij kan zich er onmogelijk op een geloofwaardige manier mee identificeren, wat een schrijver nu eenmaal wil doen om een fictieve werkelijkheid van een roman of verhaal gestalte te kunnen geven. Zijn ervaring blijft op een afstand, is in wezen even journalistiek als een krantebericht. De ervaring van zijn personages wordt nageleefd, niet ingeleefd. De verbeelding is van oudsher het domein van de kunstenaar, maar wanneer die zijn verbeelding in dienst stelt van de verslaggeving, dat wil zeggen, wanneer hij niets anders wil zijn dan een kroniekschrijver, dan legt die kunstenaar het bij voorbaat af tegen de journalistiek, die zich het patent op de actualiteit heeft toegeëigend.

Maar dat Hollandse dilemma zelf kan wèl interessant zijn voor een Nederlandse schrijver; waarom zou onmacht niet gepaard kunnen gaan met engagement? Geconfronteerd met de Benetton-reclame, grote billboards met een reusachtige foto van de bloeddoordrenkte kleren van een Joegoslavische jongen, zal hij onmogelijk de verschrikkelijke wereld achter die foto als reclamefoto kunnen verbeelden, zonder zich te verliezen in geleende beelden, zonder gebruik te maken van feiten van horen zeggen en tweedimensionale ervaringen. Wat hij wèl kan verbeelden is de wereld voor die foto, wat die foto teweegbrengt op de plaats waar hij getoond wordt, de gedachten en gevoelens die hij oproept bij de man of vrouw die langs die foto loopt en even opkijkt. Die ervaring is hoogstindividueel en onttrekt zich aan het algemene en gemeenzame van de journalistiek.

Als je dat engagement wil noemen, dan is het engagement via de verbeelding, niet via de politiek. Het is een soort engagement dat bijna haaks staat op het teloorgegane engagement van de tendensroman, waarin de verbeelding in dienst gesteld werd van de politiek; de blik van de schrijver richt zich van buiten naar binnen, in plaats van andersom. Wat niet wil zeggen dat zo'n schrijver het alleen over zichzelf heeft, of zelfs maar over zijn eigen kleine wereld. Hij blijft dicht bij zijn authentieke ervaringen, maar dat betekent vanzelfsprekend niet dat hij zijn eigen belevenissen op papier moet zetten. De vorm die hij kiest om ze te verwoorden staat hem vrij; een goede historische roman gaat altijd over het heden. En wat die schrijver buiten zijn boeken doet is een ander verhaal, daarbuiten kan hij lid zijn van iedere partij en alle comités, pamfletten schrijven en ingezonden brieven, de straat opgaan, petities overhandigen. Net als iedereen.

Politiek gezien is er in Nederland voor geëngageerde schrijvers geen belangrijke plaats weggelegd; daarvoor is de wereld van alledag te versnipperd, te gecompliceerd, te weinig ideologisch ingedeeld, daarvoor zijn de lessen uit het verleden te hard geweest. De maatschappelijke invloed van literatuur vandaag de dag is ongeveer even groot als die van het ballet, dus te verwaarlozen.

Maar er is tot nu toe niets geweest dat het domein van de literaire verbeelding afdoende heeft kunnen vervangen. Het lijkt me dat dat domein het waard is om met hand en tand verdedigd te worden, omdat in geen ander gebied de werkelijkheid achter de gebeurtenis kan worden blootgelegd, de motieven achter de argumenten, de gedachten en gevoelens van een individu in die wereld. Het is die verbeelding die ervoor gezorgd heeft dat ik door een in het Engels geschreven novelle uit 1900, Joseph Conrads Heart of Darkness, veel meer te weten kom over de oorzaak van de gruwelijkheden in Bosnië-Herzogovina dan in alle journalistieke verslaggeving bij elkaar.

En zo beperkt is zo'n soort engagement niet. Als lezer heb ik geen behoefte aan een roman waarin wordt beschreven hoe gruwelijk en ecologisch onverantwoord de Noorse jacht op walvissen is, dat drama brengt de journalistiek in beeld. Ik heb wèl behoefte aan een verhaal over het drama van die man op het reisbureau, die op aanraden van de baliemedewerker zijn vakantie in Noorwegen annuleert - en in plaats daarvan twee weken Indonesië boekt.

    • Bas Heijne