Zich heugen

Ik maak notities in een handig boekje, donkerrood, kartonnen band, compleet met dag en uur.

In Fuente de Piedra: de spiegeling van de lagune, het lopen en het knorren van flamingo's en in het struikgewas een ortolaan, een helgeel randje om het oog.

In Antequera: het vreemde rotslandschap van El Torcal met grijze gorzen en een koolmees, de harde stem van dagjesmensen, lawaai als vorm van zelfbevestiging.

In El Chorro: de hoogte en de diepte van de kloof, desfiladero wordt die hier genoemd, daar zit het woord fileren in, twee wegzeilende aasgieren en later een dwergarend.

Dat schrijf ik op, dat wordt voor mij onthouden door de inkt op het papier. Maar wat onthou ik zelf? Wat blijft me bij van deze tocht? Wat als ik oud, zwaarmoedig of verkouden ben, met koorts in bed en de gordijnen dicht?

Zomaar een bocht in de weg misschien. De schaduw van een rijtje huizen aan een plein. Een molentje met ansichtkaarten. De wenkbrauwachtige boog van een spelonk in een bergwand. Of hoe citroenen hangen in een boom. Die dingen op zichzelf wel helder, maar zonder duidelijk verband, beroofd van hun wanneer en waar.

Vannacht al raakte ik verward in het ritselen van een dadelpalm - een heel klein beetje wind klonk als een vlaag van storm en regen in de hut op Griend.

    • Koos van Zomeren