WVC steunt samenwerking musea Rotterdam en Amsterdam; Scheepvaartmusea gaan samen

AMSTERDAM, 17 MAART. Het Nederlands Scheepvaartmuseum Amsterdam (NSA) en het Maritiem Museum Prins Hendrik (MMPH) in Rotterdam gaan op korte termijn zo nauw mogelijk samenwerken op alle terreinen.

Dat zeggen Hans Bakker, directeur van het Amsterdamse Scheepvaartmuseum, en Lex Kater, interim-directeur van het Rotterdamse Maritieme museum. Op den duur willen de beide directeuren komen tot de volledige samenvoeging van beide musea, waarbij het Scheepvaartmuseum zich zal toeleggen op de periode tot 1900 en het MMPH op de periode daarna. Maar voorlopig wordt de samenwerking beperkt door de 'randvoorwaarden van de huidige structuren', aldus Kater: het Scheepvaartmuseum is een nog dit jaar te verzelfstandigen rijksmuseum, het MMPH valt onder de gemeente Rotterdam.

Vooralsnog zullen de musea overgaan tot het op elkaar afstemmen van het beleid, de kennis en de collecties en tot het samen organiseren van tentoonstellingen en evenementen. Kater: “Wij denken veel te kunnen leren van de bedrijfsmatige aanpak van Amsterdam, en mee te kunnen profiteren van de grote stroom toeristen die automatisch naar Amsterdam vloeit. Daarentegen hebben wij in Rotterdam weer een haven met een belangrijke economische betekenis, en dat mist Amsterdam.” Afspraken over een verdeling van de kosten zijn nog niet gemaakt. Verdergaande samenwerking kan plaatsvinden zodra daarvoor toestemming is verkregen van het ministerie van WVC, respectievelijk van de gemeente Rotterdam.

Cees van 't Veen, hoofddirecteur Cultuurbeheer van WVC, juicht de samenwerking toe. “Het is goed dat de twee grootste maritieme musea in het land hun krachten bundelen in plaats van elkaar te beconcurreren.” Voor de samenwerking tussen het rijks- en het gemeentemuseum ziet hij geen bezwaren: “Ze worden beide met overheidsgeld betaald. Afspraken zou je kunnen vastleggen in een convenant. Op dit moment sluiten WVC en de vier grote steden al convenanten met betrekking tot de podiumkunsten, maar in de toekomst willen we die ook uitbreiden met financiële en beleidsmatige afspraken over de musea.”

Yvonne de Rijk, wethouder kunstzaken van de gemeente Rotterdam, meent dat een inhoudelijke samenwerking zinvol zal zijn. “De juridische, technische en financiële gevolgen kan ik echter nog niet overzien. Een organisatorische samenwerking zie ik voorlopig niet gebeuren.” In Rotterdam loopt momenteel een politieke discussie over de mogelijkheid van een fusie van de vier gemeentemusea - Museum Boymans-van Beuningen, het Historisch Museum, het Museum voor Volkenkunde en het MMPH - waarover het college komende dinsdag een uitspraak doet. De uitkomst van die 'structuurdiscussie' zal volgens Kater mede bepalend zijn voor de mate van samenwerking tussen NSA en MMPH.

Het NSA trekt jaarlijks 250.000 bezoekers, het MMPH 150.000. Beide musea beheren honderdduizenden objecten met betrekking tot de maritieme geschiedenis. Samengevoegd zouden zij in belang en omvang het tweede scheepvaartmuseum ter wereld zijn, na het National Maritime Museum in Greenwich.

De musea gaan hun collecties ontsluiten volgens eenzelfde methode in een gezamenlijk computerbestand: in de thesaurus worden de collecties feitelijk samengevoegd, terwijl een plaatsaanduiding zal aangeven in welk museum ze verblijven. Uitwisseling van de objecten moet tot de dagelijkse gang van zaken gaan behoren. Ook hun aankopen zullen de musea op elkaar afstemmen. De bibliotheken zullen niet langer dubbel aankopen en eveneens een gezamenlijk computersysteem in gebruik nemen. Het NSA bezit een belangrijke nautische bibliotheek met 80.000 banden, die van het MMPH heeft er 50.000, waaronder 1380 oude drukken (de collectie Engelbrecht). De musea zijn in bespreking met het Rijksmuseum en de Opleiding Restauratoren over de mogelijke oprichting van een gezamenlijk restauratieatelier voor scheepsmodellen.

Voor de komende jaren hebben NSA en MMPH diverse grote tentoonstellingen en projecten gepland die zij in nauwe samenwerking zullen uitvoeren. In 1996, dat is uitgeroepen tot Peter de Grote-jaar, organiseren ze een gezamenlijke 'exporttentoonstelling' voor het marinemuseum in Sint Petersburg. Beide directeuren willen bovendien actief, aldus Bakker, “de Nederlandse cultuur in dienst stellen van het bedrijfsleven. Als culturele instellingen willen wij ons aandeel leveren in de Holland promotion, samen met het ministerie van Buitenlandse Zaken en het georganiseerde bedrijfsleven.” Zo zullen de musea nog dit jaar met een windjammer uit 1911 -uitgerust met een motor en met moderne navigatieapparatuur - een reis van acht maanden om Kaap de Goede Hoop organiseren naar het Verre Oosten en Indonesië. Onderweg kunnen vijftig zakenlieden opstappen voor kortere perioden. In de diverse havens in Zuid-Afrika, Japan, Taiwan en Indonesië worden schip en bemanning ingezet voor de handelsbevordering. Conservatoren van de musea zullen aan boord en aan de wal lezingen verzorgen. De reis wordt mede gefinancierd door de ministeries van WVC en Economische Zaken.