Weerloos tegen druk Moskou

In de jaren van Gorbatsjov merkte de wereld plotseling dat ze niet meer bang hoefde te zijn voor de Sovjet-Unie. Zoals de toenmalige Slowaakse dissident Milan Simecka het uitdrukte: plotseling werd duidelijk dat de sterkste en meest gevreesde huurder in het Europese huis was opgehouden op de trappen te stampen, hij spuugde niet meer op de gang, schreeuwde geen onwelvoeglijke taal meer en was misschien wel over te halen op te houden met het produceren van springstoffen in de kelder.

De opluchting was groot. Gorbatsjov en - na het uiteenvallen van de Sovjet-Unie - zijn opvolger Jeltsin mochten zich jarenlang koesteren in de ongebreidelde sympathie van het Westen. Immers, zoals Simecka schreef, “de brompot die het gezin kwelt en over iedereen een emmer scheldwoorden leeggooit staat onmiddellijk in het centrum van de enthousiaste belangstelling als hij begint te lachen en een kind over zijn bol aait”.

Die prettige sfeer is aan het veranderen. Rusland maakt er niet langer een geheim van de desintegratie van de Sovjet-Unie te betreuren en laat weinig achterwege om die zoveel mogelijk terug te draaien zonder de huurders op de andere gangen van dat Europese huis al te zeer tegen zich in het harnas te jagen.

Het heeft daarbij een paar goed werkende instrumenten tot zijn beschikking, economische, politieke, diplomatieke en militaire. De verwevenheid van de economieën van de ex-Sovjet-republieken met die van Rusland en hun soms extreme afhankelijkheid van Russische grondstoffen, energie, leveranciers en afnemers geven Moskou de mogelijkheid de andere republieken op elk gewenst tijdstip zwaar onder druk te zetten. De aanwezigheid van 25 miljoen etnische Russen buiten Rusland en de pretentie van Moskou hun rechten te beschermen tegen al dan niet vermeende discriminatie geeft Moskou de mogelijkheid de politieke situatie in de buurlanden naar believen te manipuleren. Verder biedt de aanwezigheid van Russische militairen in het 'nabije buitenland' (de ex-Sovjet-republieken) legio mogelijkheden tot destabilisatie.

De Russen zijn meesters in het combineren van al deze instrumenten en de andere ex-Sovjet-republieken - economisch en militair zwak, intern gepolariseerd en soms verwikkeld in gewapende conflicten - blijken zo goed als weerloos tegen deze druk. Als de Russen de gaskraan naar de Oekraïne dichtdraaien - “niet toevallig” (zoals de Pravda schreef) op dezelfde dag waarop de Oekraïense president Kravtsjoek in Washington aankwam om de Amerikanen om geld te vragen - doen ze dat in de zekerheid dat de Oekraïne politiek en economisch op instorten staat en het zonder dat Russische gas geen twee weken redt.

Soms treden de Russen subtiel op. Toen Azerbajdzjan, in oorlog met de Armeniërs om de enclave Nagorny Karabach, in 1992 weigerde tot het GOS toe te treden, moesten de Russen zich militair uit dat land terugtrekken. Ze deden dat zo grondig dat ze wapens liever vernietigden dan ze het nieuwe en zo goed als onbewapende leger van Azerbajdzjan in handen te laten vallen. Zo werden 170 tanks die ze niet tijdig konden meenemen bij Lenkoran de Kaspische Zee ingereden, waar ze sindsdien wegroesten. De Azeri (die op een bepaald moment geen enkel vliegtuig meer en nog maar tien tanks hadden) leden tegen de Armeniërs prompt de ene nederlaag na de andere. Toen Azerbajdzjan verloren leek, boden de Russen grootmoedig alle vormen van hulp aan - als Azerbajdzjan tot het GOS zou toetreden en de Russen concessies bij de oliewinning in Azerbajdzjan zou geven. Baku had geen keus en moest aan beide voorwaarden voldoen.

In Georgië traden de Russen op soortgelijke wijze op. Ze steunden eerst de opstand van de Abchaziërs met wapenleveranties. Toen Georgië was verslagen en politiek, economisch en militair aan het eind van zijn Latijn was, boden de Russen 'vredestroepen' aan ter bewaking van de strategische verbindingen en dwongen ze Georgië niet alleen het lidmaatschap van het GOS maar ook een vriendschapsverdrag op, dat voorziet in drie Russische bases in Georgië.

Een soortgelijk scenario werd toegepast in Moldavië: eerst werden etnische conflicten opgestookt die uitliepen op een oorlog en de afscheiding van 's lands belangrijkste industriegebied, en vervolgens werd bemiddeling en een uitweg uit de ontstane impasse aangeboden - op vergaande voorwaarden. Ook Moldavië moest zich contrecoeur neerleggen bij een nauwere integratie met het GOS.

Tegen het Russische optreden kan geen enkele ex-Sovjet-republiek zich daadwerkelijk verweren. Zelfs Kazachstan niet, dat wel rijk aan grondstoffen is, maar de pech heeft dat 38 procent van de bevolking uit Russen bestaat: er leven evenveel Russen als Kazachen in Kazachstan. Onder die minderheid wordt vanuit Rusland flink gestookt. President Noersoeltan Nazarbajev heeft veel gedaan om de minderheid tegemoet te komen, deels uit eigenbelang (de Russen domineren de economie), deels om Moskou de wind uit de zeilen te nemen. Maar ook hij, een van de drijvende krachten van het GOS en een loyaal bondgenoot van Boris Jeltsin, is er niet in geslaagd die toenemende polarisatie onder controle te houden.

En Moskou maakt het Nazarbajev ook steeds moeilijker. De recentelijk door Moskou geponeerde eis dat Russen een dubbele nationaliteit moeten krijgen - hetgeen zou inhouden dat de helft van de bevolking van Kazachstan met twee paspoorten op zak zou lopen - en dat Rusland het recht heeft om 'zijn' minderheden te beschermen, brachten Nazarbajev tot de woedende opmerking dat Hitler ook is begonnen met de 'bescherming' van de Sudeten-Duitsers in Tsjechoslowakije.

Het 'recht' om Russische minderheden te beschermen heeft in alle ex-Sovjet-republieken kwaad bloed gezet. In Oezbekistan werd de Russische minister Kozyrev door president Karimov fors de les gelezen over de Russische pretenties, en ook in de Oekraïne (waar elf miljoen Russen wonen) en zelfs het Moskou welgezinde Wit-Rusland werd boos gereageerd. Niettemin kan Moskou in de ex-Sovjet-Unie redelijk ongestoord zijn gang gaan. Het Westen heeft weinig mogelijkheden en zelfs weinig animo het Moskou lastig te maken: de ex-Sovjet-republieken liggen ver weg, zijn politiek en economisch instabiel en liggen in de perceptie van veel Westerse regeringen duidelijk binnen een legitieme Russische invloeds- en belangensfeer. Bovendien ziet het Westen liever dat Rusland er de orde handhaaft - al gaat dat dan ten koste van de soevereiniteit van de betrokken landen - dan dat landen als Iran op de Kaukasus of in Centraal-Azië in het vacuüm springen dat door de teloorgang van de Sovjet-Unie is ontstaan.

De enige ex-Sovjet-republieken die zich in een minimum aan politiek-verbale steun uit het Westen mogen verheugen zijn de Baltische landen. Ook hier tracht Rusland met een mengeling van politieke dreigementen, manipulatie met de minderheden, chantage over de aftocht van Russische troepen en economische druk de zaken naar zijn hand te zetten.

Besprekingen met Estland over het vertrek van de laatste 2.600 Russische soldaten per 31 augustus worden getraineerd en gekoppeld aan steeds nieuwe zaken waaraan ze volgens de CVSE-regels helemaal niet gekoppeld mogen worden, zoals de rechten van 40.000 gepensioneerde soldaten van het Rode Leger in Estland en de betaling voor de huisvesting, in Rusland, van terug te trekken soldaten. Estse bezwaren leiden onveranderlijk tot kwade Russische verwijten. Zo zei de Russische onderhandelaar Aleksandr Oedaltsev vorige week “de indruk te hebben dat ze [de Esten] een speciale werkgroep hebben die uitzoekt hoe Rusland een loer kan worden gedraaid.”

Met de Letten is wel een akkoord bereikt over het vertrek van de Russische troepen, maar pas nadat de Letten instemden met het voortbestaan van het Russische militaire radarstation in Skrunda. Volgens de Litouwse ex-president en oppositieleider Landsbergis is het eind van de onafhankelijkheid van de Baltische landen nabij en heeft Rusland Letland al “gebroken”. Ook Litouwen zelf heeft nog last van de imperiale oprispingen van de Russen, al heeft Rusland daar geen troepen meer. Het enorme garnizoen in de enclave Kaliningrad, tussen Litouwen en Polen, heeft echter het recht op vrije doorgang door Litouwen - een zwaard van Damocles boven de Litouws-Russische relaties.

De Baltische landen maken melding van een toename van het aantal grensincidenten en mysterieuze bomaanslagen waarachter zij een bewuste destabilisatiecampagne vermoeden. In Letland opereren vijftien verschillende Russische spionage-organisaties die de afgelopen maanden in een grote afluistercampagne alle gewenste details over de Letse strijdkrachten, de douane, het leger, de grenstroepen en de veiligheidsdienst hebben vergaard.

Als Rusland zou willen, zou het militair binnen twee of drie dagen een eind aan de Baltische onafhankelijkheid kunnen maken, want de Baltische legers stellen weinig voor. Het Letse leger heeft minder anti-tankwapens dan de Russische militairen in Letland tanks hebben. En de Balten weten dat het Westen hen in het geval van een invasie niet te hulp zou schieten.

Maar zo'n invasie komt er niet: ook zonder invasie zijn de ex-Sovjet-republieken wel tot inschikkelijkheid te dwingen. De Estse regering kondigde bij monde van minister van buitenlandse zaken Jüri Luik midden februari een nieuwe 'Ostpolitik' af: de oriëntatie op het Westen blijft gehandhaafd, maar de diplomatieke inspanningen van Estland, zo meldde Luik, worden meer dan tot nu toe gericht op Moskou: “Onze Oost-politiek moet worden geactiveerd”.