Vrouwen in de fysica

Science, 11 maart 1994

Toen de Engelse deeltjesonderzoekster Cherril Spencer een tijdje in Rome ging werken viel ze van de ene verbazing in de andere. 'Op straat kon je geen drie stappen zetten - en zo mooi ben ik toch heus niet - zonder lastig te worden gevallen door ritsen Italiaanse mannen die mijn telefoonnummer wilden. Maar binnen het lab heerste juist een opvallend vrouwvriendelijke sfeer, met veel vrouwelijke natuurkundigen als collega's en een eigen gratis kinderdagverblijf.''

Het citaat is afkomstig uit Science. Deze week wijdt de redactie voor het derde achtereenvolgende jaar een special aan vrouwen in de wetenschap. Ditmaal is het toegespitst op internationale vergelijkingen en cultuurverschillen.

Italië mag dan op het eerste gezicht een nogal sexistisch land lijken, blijkbaar zijn vrouwen er in een typisch mannenbolwerk als de natuurkunde meer dan welkom, zo concludeert Science. Van de hoogleraren in de fysica is 23 procent vrouw. Dat is nog geen kwart, maar toch heel wat meer dan de 3 procent in de VS. 'Amerikanen bewijzen veel meer lippendienst aan de gelijkheid van de vrouw dan de Italianen,'' zegt de Italiaanse Alessandra Ciocio, die nu aan het Lawrence Berkeley Laboratorium werkt, 'maar in de fysica moeten Amerikaanse vrouwen veel meer moeite doen om de erkenning te krijgen die ze toekomt! Oké, een Italiaanse man zal jou nooit een maaltijd laten betalen en altijd de deur voor je open houden, maar in je vak word je als vrouwelijke natuurkundige wel degelijk serieus genomen. Als je in de VS wilt dat je mannelijke collega's naar je luisteren moet je gaan schreeuwen - en dan zeggen ze weer dat je hysterisch bent.'' Haar ervaring wordt door veel landgenotes in de VS onderschreven.

Volgens Science steunt het vrouwvriendelijke klimaat in de Italiaanse wetenschap ten dele op een traditie die terug gaat tot de Middeleeuwen. Al vanaf hun oprichting in de Renaissance stonden de Italiaanse universiteiten open voor vrouwen. Dat heeft een rijtje beroemde vrouwen opgeleverd, die nog steeds als voorbeeld dienen. Zo was er de achttiende eeuwse Laura Bassi, moeder van twaalf kinderen, maar tevens hoogleraar natuurkunde aan de Universiteit van Bologna en lid van de Academie van Wetenschappen aldaar. Waar vrouwen in andere Europese landen bijna alleen in de kloosters konden studeren, namen ze in Italië vanouds actief deel aan het openbare culturele en intellectuele leven.

Ook andere factoren spelen mee. Ongetwijfeld is het arbeidsklimaat in Italië wat losser, wat de combinatie van een wetenschappelijke carrière met een gezinsleven eenvoudiger maakt. De tachtigurige werkweek die op veel Amerikaanse natuurkundelaboratoria traditie schijnt te zijn is berekend op een man die een huisvrouw achter zich heeft staan. Verder kan het uitgebreide familienetwerk, dat veel Italianen er op nahouden, handig zijn voor een werkende moeder. In het Italiaanse middelbare school onderwijs zijn vrouwelijke docenten, ook voor de exacte vrouwen, in de meerderheid. Meisjes kunnen een vak als natuurkunde niet uit hun pakket schrappen, het hoort eenvoudig bij de eindexameneisen en wellicht hebben ze tegen die tijd de smaak te pakken. Op de Amerikaanse High School daarentegen wordt het vak gegeven als eenjarige crash course waar alleen de echt fanate jongetjes op intekenen.

Dat alles neemt niet weg dat een baan in de wetenschap ook in Italië voor vrouwen uit de lagere milieus nog steeds ondenkbaar is, het blijft een elitaire aangelegenheid.

De verhalen in het themanummer van Science zijn zonder uitzondering interessant om te lezen. Subtiele vormen van discriminatie krijgen veel aandacht en ook de werking van het old boys network komt uitgebreid aan bod. Harde statistieken op dit terrein zijn schaars, maar uit de vele interviews met onderzoeksters uit alle delen van de wereld - waarvan er velen ook een tijdje in het buitenland hebben gewerkt en dus kunnen vergelijken - ontstaat toch een aardig beeld.

Opvallend is dat vrouwen het in de exacte vakken een heel stuk beter doen in armere landen dan in West-Europa en in de VS. Niet alleen in Italië, maar ook bijvoorbeeld in Portugal, Oost-Europa, Turkije, India en de Filippijnen spelen vrouwelijke wis- en natuurkundigen een vooraanstaande rol. In Turkije is een verrassende 38 procent van de chemici vrouw. (Zeer elitaire vrouwen, dat wel, maar toch.) Voor sommige van deze landen geldt dat de exacte vakken daar pas opkwamen in een tijd toen de maatschappij al meer openstond voor werkende vrouwen, ze hoefden het terrein niet op de mannen te veroveren. Verder speelt mee dat banen in de wetenschap doorgaans slechtbetaald en dus meer voor vrouwen weggelegd zijn. 'Al mijn mannelijke studenten hebben problemen met hun ouders'', zegt een Turkse hoogleraar natuurkunde die anoniem wil blijven. 'Ouders zien voor hun zoon veel liever een glansrijke carriëre als bruggenbouwer of zo. Voor een meisje maakt het niet uit, want zij zal later toch geen kostwinnaar worden.''

In Portugal was in de jaren tachtig meer dan de promovendi in wis- en natuurkunde, scheikunde en biologie vrouw. 'Toch ben ik minder optimistisch over hun verdere loopbaanperspectieven dan zeven jaar geleden'', zegt sociologe Beatriz Ruivo, 'na een poosje stuiten ze op een soort glazen plafond, dat zie je overal.''

In noordelijke landen als Engeland, Zweden, Duitsland en Nederland is het aantal vrouwen aan de top niet alleen opvallend laag, het is ook de laatste tien jaar onveranderd gebleven. Hoge technologiebeleidsbanen bij de EG - waar ook de onderzoeksbeurzen worden verdeeld - zijn voor vrouwen niet weggelegd en dat zal nog wel een tijdje zo blijven, want de benoemingscommissies bestaan ook louter uit mannen. Nederland komt er wel erg slecht af. Het scoort met 2,1 procent vrouwelijke hoogleraren lager dan enig ander land ter wereld. Tien jaar geleden stonden we nog op 2,2 procent.

    • Marion de Boo