Stork blijft slechts conjunctuur de baas

NAARDEN, 17 MAART. Recessie en pessimisme over de toekomst van de Nederlandse industrie grijpen om zich heen. Desondanks slaagt een van Nederlands grootste industriële ondernemingen, Stork, er in het moeilijke jaar 1993 in om meer winst te boeken. Het opmerkelijke herstel van Storks resultaten - in 1992 kreeg de winst wel een forse tik van de slechte conjunctuur - is te danken aan de ingrijpende gedaanteverwisseling die het concern sinds begin jaren tachtig heeft ondergaan.

In de jaren zeventig hing het voortbestaan van Stork (toen nog Verenigde Machine Fabrieken geheten) aan een zijden draad. De namen Stork en Werkspoor waren toen nog synoniem voor bedrijfssluitingen, reorganisaties en massa-ontslagen. De produktie van zware kapitaalgoederen als dieselmotoren, ketels en turbines en treinwagons werd of gesloten of uit het concern getild. Met de nodige overheidssteun en veel kunst- en vliegwerk wist de onderneming er in de jaren tachtig weer bovenop te komen.

Stork anno 1994 is een groep met een sterke financiële positie: een eigen vermogen van 38 procent en voldoende geld in kas. Het concern, dat de laatste vijf jaar zowel qua omzet als personeel verdubbelde, levert een breed scala van industriële produkten en diensten waartussen overigens wel veel synergie bestaat.

Het in hoge mate gedecentraliseerde bedrijf - het Naardense hoofdkantoor telt slechts een zeer beperkte staf - bezit nu meer dan 85 werkmaatschappijen in binnen- en buitenland. Er werken maar liefst 18.000 mensen waarvan bijna 11.000 in Nederland. Daarmee is Stork bedrijven als Hoogovens en Fokker voorbij gestreefd. Stork is het grootste lid van de FME, de werkgeversorganisatie in de metaalelektro-sector. Maar bestuursvoorzitter dr. J.C.M. Hovers wil Stork eigenlijk liever niet eens meer als puur metaalconcern afficheren. Hij heeft het liever over engineering-concern. De volledige overneming van het 2500 werknemers tellende, grootste Nederlandse ingenieursbureau voor de procesindustrie Comprimo, waarvoor juist vandaag de contracten zijn ondertekend, bevestigt dit beeld van een bedrijf dat steeds meer opschuift van pure machinefabrikant naar nog veel meer kennis-intensieve produkten en diensten.

Stork lijkt de omslag van fabrikant van zware kapitaalgoederen naar leverancier van lichtere machines voor de voedings-, verpakkings-, textiel- en grafische industrie en verlener van industriële diensten (montage, installatie, onderhoud etc.) op het juiste moment te hebben gemaakt.

Het concern stond voor de grote opgave aanzienlijk minder conjuntuurgevoelig te worden, een gevoeligheid die het bedrijf in de jaren zeventig bijna noodlottig was geworden. Daartoe richtte de Stork zich vooral op produktiemiddelen voor sectoren die basisbehoeften voor de consument (voeding, drank, kleding) produceren. Steeds belangrijker voor Stork zijn de laatste jaren ook de industriële naleveringen (sjablonen voor de textieldrukkerijen, drukinkt, componenten) voor verkochte machines en apparaten geworden.

Als tweede kernactiviteit is de industriële dienstverlening opgezet, activiteiten die minder investeringen vergen, normaal gesproken veel kasstroom opleveren en minder risico inhouden. De diensten voegen ook waarde toe: ze worden voor derden verricht maar ook bij klanten die Stork-apparatuur in gebruik hebben.

Vooral de dienstverlening moest Stork voorzien van een conjuntuur-schokdemper. Het afgelopen jaar is dat dempende effect behoorlijk tegengevallen. Door de slechte economische situatie in Nederland (waarop de dienstverlening zich nu nog in hoofdzaak concentreert) vond een enorme prijzenslag plaats. Stork heeft daaraan volgens topman Hovers zeer bewust meegedaan om volume en dus marktaandeel te behouden. Gevolg was wel dat het bedrijfsresultaat van de dienstverlening, waar Stork al meer dan de helft van zijn omzet behaalt, vrijwel wegsmolt (van 46 miljoen in '92 naar een karige 1 miljoen gulden afgelopen jaar). De andere kernactiviteit - machines en apparaten - gaf juist weer een omgekeerde en dus positieve ontwikkeling te zien. Daar steeg het bedrijfsresultaat van 14 miljoen naar 79 miljoen gulden.

Betekent dit dat Storks strategie is mislukt en opnieuw moet worden aangepast? Hovers: “Nee, onze strategie heeft wel gewerkt. De bodem ligt nu op een minder laag niveau. Maar de industriële diensten bleken wel kwetsbaarder dan wij hadden verwacht. We moeten de accenten nog meer verleggen naar kennis-intensieve diensten. De bulkachtige diensten, die iedereen kan bieden, zullen we niet uitbreiden. We zullen daar meer met onderaannemers gaan werken. Ook zijn we van plan de dienstverlening meer uit te breiden naar andere industri'ele groeicentra.' Hovers verwacht overigens geen ingrijpende saneringen in deze sector.

Reorganisaties en capaciteitsaanpassingen vonden de afgelopen twee jaar wel plaats in een aantal fabricage-sectoren. Dit was bij voorbeeld het geval bij machines voor de vleesverwerkende industrie en bij spuitgietmachines voor kunststofverwerking. Maar zoals de laatste jaren bij Stork gebruikelijk is verliepen ook daar de ingrepen vrij geruisloos. In 1993 vertrokken er bij Stork per saldo een kleine duizend personeelsleden meer dan er nieuwe werden aangenomen. Maar gedwongen ontslagen kwamen niet of nauwelijks voor. De vakbonden zijn uitermate positief over Storks sociale beleid.

Stork wil zijn positie de komende tijd verder versterken via kostprijsverlaging. Bestuursvoorzitter Hovers denkt daarbij vooral aan flexibilisering van de produktie, bij voorbeeld door het laten maken van onderdelen van machines in lage-lonenlanden. Stork is erg actief in het Verre Oosten en ziet lokale uitbesteding van bepaald werk als een soort compensatie-orders. Op die manier zijn opdrachten makkelijker te verwerven omdat in veel landen de local content van machines en apparatuur een belangrijke rol speelt.

Vooral China (met welk land Stork oude banden heeft: in 1923 leverde het concern China al stoomlocomotieven) beschouwt Stork als een enorme potentiële groeimarkt voor zijn produkten. Storks omzet in China verdubbelde vorig jaar tot 60 miljoen gulden. En er zit nog veel meer in het vat. Hovers: “De Chinese vleesconsumptie per hoofd van de bevolking is bij voorbeeld nog maar 1 procent van die in de VS.” In Japan alleen al heeft Stork ruim 100 fabrieken ingericht. Volgende maand opent het bedrijf in dat land een 'Stork House' bedoeld om klanten betere service te kunnen bieden.

Financieel gezien was 1991 voor Stork nieuwe stijl een topjaar (netto winst 121 miljoen). In 1992 kwam de tik van de recessie hard aan: de winst dook omlaag naar 50 miljoen gulden. Het herstel naar 55 miljoen in het afgelopen jaar beschouwt het concern nog als onvoldoende. Hovers: “Het rendement op het eigen vermogen is met 7,5 procent nog absoluut te laag. We kwamen van een niveau van 20 procent in 1991 en we vinden eigenlijk dat het rendement tweemaal de marktrente moet zijn om te kunnen spreken van een aardige ondernemerspremie.”

Mogelijk zal Stork het winst- en rendementsherstel dit jaar in versneld tempo kunnen voortzetten. De eerste echte tekenen van opleving waren er al in het laatste kwartaal van 1993 en tot nu toe zet die tendens bij de orderontvangst door. Hovers sluit een winststijging van 20 tot 30 procent niet uit. “Onze strategie werpt zijn vruchten af. In de oude constellatie hadden we nu al diep in de rode cijfers gezeten. We hebben de indruk dat we tijdens de recessie niet zijn verzwakt. We zijn blijven investeren en we zijn flexibeler geworden.”

    • Ben Greif