Roofmijt en hommel helpen groenteteler

Het 'biologische' moest nog in de mode komen toen de Berkelse komkommerteler Jan Koppert halverwege de jaren zestig al niets meer voelde voor het spuiten met chemicaliën. In zijn kas introduceerde hij roofmijten die effectief bleken bij de bestrijding van spint, dat tot een beruchte planteziekte kan leiden. Ruim 25 jaar later is Koppert Biological Systems een miljoenenbedrijf met 250 werknemers op de loonlijst.

Aanvankelijk werd Jan Koppert uitgelachen toen hij in 1967 in zijn kas in Berkel-Rodenrijs ontdekte dat de roofmijt de beste vijand van spint was. Waarom moeilijk doen met biologische bestrijding als het met de spuit zo gemakkelijk gaat? Maar Koppert en zijn zoon Peter hadden er wel vertrouwen in. Het tweetal haalde bij het Zwitserse chemische bedrijf Maag roofmijten. In 1970 introduceerde het Britse chemieconcern ICI het preparaat Milcurb tegen de schimmel 'meeldauw'. Milcurb werd in gietwater aan de voet van de plant gegeven. Gecombineerd met Kopperts roofmijt was er nu een complete gewasbescherming die spuiten overbodig maakte, een doorbraak in de tuinbouw.

Er werd dat jaar meteen op 200 hectare gewerkt met de combinatie roofmijt-Milcurb. Al zeer snel bleek dat meeldauw resistent werd voor Milcurb en de tuinders waren gedwongen weer naar de spuit te grijpen. En dat overleefde de roofmijt weer niet. Tachtig procent van Kopperts markt was in een klap verloren. Een andere ramp werd echter zijn geluk. In hetzelfde jaar kampte de Nederlandse tuinder met een explosie van de witte vlieg, een insect dat planten ziek maakt. Vader en zoon Koppert namen contact op met een Brits proefstation waar het inzetten van een sluipwesp werd getest tegen de witte vlieg. Het bleek een succes.

Vader Koppert overleed in 1972 en zijn zoons Peter en Paul zetten zijn werk voort ook al leek het er aanvankelijk op dat met de 'handel met insecten' geen droog brood te verdienen was. Er werden contacten gelegd met wetenschappelijke instituten en in 1975 had het bedrijf tien mensen in dienst. Twee jaar later opende het bedrijf een nieuwe vestiging in het Verenigd Koninkrijk. Export kwam op gang naar België, Engeland, Scandinavië en West-Duitsland.

De research-afdeling van Koppert Biological Systems telt nu twintig werknemers; 25 anderen zijn in het buitenland werkzaam, in Engeland, Frankrijk, Italië en Hongarije. Het bedrijf neemt deel in joint-ventures in de Verenigde Staten, Canada, Nieuw-Zeeland en Israël en roert zich stevig op de Japanse markt. Veertig procent van de omzet bestaat uit export. Van de totale produktie gaat tachtig procent naar drie teelten: tomaten, paprika en komkommer.

Van de 8.000 hectare tuinbouw onder glas in Nederland is globaal de helft groente, de andere helft sierteelt. In ruim driekwart van de groenteteelt wordt nu met het biologische systeem van gewasbescherming gewerkt. “Naast die drie produkten is er nog wat aubergine, sla, aardbeien, bonen en meloen”, zegt drs. W.J. Ravensberg, hoofd research and development. En: “Bij de sierteelt wil het niet erg van de grond komen”.

Koppert heeft nu zestien insecten en mijten op de markt alsmede twee soorten aaltjes die taxuskevers en rouwmuggen aanvallen en zo de wortelstelsels van de gewassen beschermen. Verder zijn er twee schimmels beschikbaar en een bacterie die wordt gekweekt bij het Deense farmaceutische bedrijf Novo Nordisk. De bacterie heeft een verlammende werking op rupsen, die na infectie onmiddellijk hun vraat staken.

Een van de grootste plagen in beschermde teelten, zowel in groente- als in siergewassen, is de witte vlieg. Dit insect zuigt grote hoeveelheden plantesap op. De suikers uit het sap worden afgescheiden als honingdauw. De bladen worden er kleverig van en vatbaar voor schimmels en rot. Bovendien brengt de vlieg virussen over en is daarmee dus een belangrijke bedreiging voor het gewas. De sluipwesp Encarsia formosa legt een ei in de larve van de witte vlieg. De wesp die uit het ei komt, voedt zich met honingdauw en met het lichaamsvocht van de witte vlieglarven.

Wetenschappelijk onderzoek naar natuurlijke bestrijders maakt grote vorderingen. Onlangs promoveerde ir. F.L. Wäckers aan de Landbouwuniversiteit van Wageningen op een studie naar de eigenaardigheden van sluipwespen. Hij komt tot de conclusie dat de beesten zowel bloemgeuren als kleurinformatie gebruiken om voedselbronnen te lokaliseren. Voor de toepassing van biologische bestrijding betekent dit dat sluipwespen kunnen worden getraind om effectiever plaaginsecten op te sporen. Dat zou kunnen door ze tijdens de kweek bepaalde geurervaringen te geven.

Witte vlieg kan ook worden bestreden met een roofwants, de sluipwesp Eretmocerus en het lieveheersbeestje, Delphastus. Ook een schimmel kan effectief worden ingezet tegen de plaag. Spint, een andere ramp in de kas, wordt bestreden met een bepaald type roofmijt die zich voedt met spintmijten of -eieren.

Een van de grootste problemen waar Koppert mee kampt is het laten registreren van nieuwe biologische bestrijdingsmiddelen door het College Toelating Bestrijdingsmiddelen. “Er gaat vaak jaren over heen voordat het college iets registreert. “Dat kost handenvol geld en je moet de klant ondertussen 'nee' verkopen”, zegt drs. Ravensberg.

De biologische gewasbescherming zou ook goed kunnen worden toegepast in de sierteelt, maar daar zijn andere problemen. “Op de veiling een tomaat aanbieden van een beschadigde plant is geen enkel probleem. Bij bloemen en planten ligt dat natuurlijk anders. Daar wordt het 'hele produkt' verkocht,” aldus Ravensberg. Hij vervolgt: “Je zou daar biologische bestrijdingsmiddelen preventief moeten inzetten, anders ben je te laat; het plaagdier heeft zijn vernietigende werk al gedaan. Er wordt in die sector dus al gespoten voordat er iets aan de hand is. Daarbij komt dat exportlanden veelal eisen dat er geen beestje op het produkt mag zitten. Het moet honderd procent schoon zijn. Gevolg: spuiten en nog eens spuiten met pesticiden en fungiciden. De teler wordt daar door de markt eenvoudig toe gedreven. We doen wel onderzoek in die sierteelt. Maar voor de teler is er weinig dwang vanwege de overheid om over te schakelen op milieuvriendelijker bestrijding. En wij kunnen eenvoudig nog geen concurrerend produkt leveren.”

Dankzij de dynamiek in de wereldhandel en het steeds eenvoudiger wordende transport is er ook een steeds drukker verkeer van schadelijke insecten. Ravensberg: “Om de twee, drie jaar hebben we er wel weer een vervelend beestje bij. Daarvoor bestaat vaak geen chemische oplossing, dus wordt ons gevraagd of we een natuurlijke vijand kunnen leveren. Zo is er nu een 'katoen witte vlieg' uit Amerika. Je hebt daar niet meteen een antwoord op. Dus halen we er insecten bij van over de hele wereld om te zien welke de beste bestrijder is. De Franse roofwants lijkt nu een oplossing”, aldus Ravensberg.

Sinds 1988 kweekt Koppert ook op grote schaal hommels voor gebruik in de kas. Voor die tijd werden tomatenplanten bijvoorbeeld 'getrild' om stuifmeel af te geven, waarmee planten mechanisch werden bestoven. Hommels nemen stuifmeel van bloem tot bloem mee. Ze doen het betrekkelijk snel en effectief en besparen de tuinders zo mankracht. Ze doen per vlucht tien tot twintig bloemen per minuut aan. Met hun dikke harige lichaam komen ze voortdurend in contact met stempelds en meeldraden. Ze zijn onovertroffen in hun 'vak', zo werd halverwege de jaren tachtig in België vastgesteld. Veel beter bijvoorbeeld dan bijen, die bij een lage temperatuur meteen in staking gaan. Bovendien communiceren bijen veel te veel. Bijen zijn met tien- tot twintigduizend, een volk hommels telt 200 exemplaren. Ravensberg: “Verlaat een bij de kas omdat zij buiten een lekkere bloem heeft gezien, dan is een heel volk in een ommezien vertrokken. Bovendien poepen ze het glas van de kas vol, wat verlies aan licht betekent en dus verlies aan produktie”.

Door de huidige malaise in de glasgroententeelt staan ook de prijzen van biologische bestrijdingssystemen onder druk. De insecten worden verkocht in aantallen per vierkante meter. De plaagbestrijders worden in kokers geleverd, hommels in nestkasten. In een ideale situatie bereiken de plaagbestrijders een evenwicht in de kas: ze houden net genoeg voedsel om zelf te overleven. Hommels doen gedurende een maand of drie hun werk.

De prijs voor hommels bedroeg enkele jaren geleden zo'n twintig cent per vierkante meter. Nu beconcurreren leveranciers elkaar rond een prijs van veertien cent. Een enkele Franse producent is - met fatale gevolgen voor het bedrijf - onder de kostprijs van tien cent per vierkante meter gaan zitten. De prijzenoorlog tussen de leveranciers, als gevolg van pogingen van tuinders om de kostprijzen te drukken, lijkt zich nu te gaan manifesteren in een minder begeleiding van de tuinder. Dat zou volgens de leveranciers een averechts effect kunnen gaan krijgen, nl. als de tuinder door een slechte bestuiving ook nog eens een matige oogst heeft.

    • Bram Pols