Pers en voorlichting

Vroeger hingen bij de ambassades van oostbloklanden vaak van die eigenaardige uitstalkastjes, enigszins gelijkend op die welke ook bij nachtclubs worden aangetroffen, maar wel heel anders van inhoud.

Deze foto's gaven namelijk geen beelden van decadente westerse verlokkingen maar van de vooruitgang van het desbetreffende land. Daarbij werd vooral aandacht besteed aan de groei van de oogst, de toeneming van de industriële produktie en de blakende gezondheid van de bevolking zoals die in het bijzonder tot uitdrukking kwam in de vele sportieve successen die door jeugd en jongeren werden behaald. Diezelfde ambassades verspreidden tevens opgewekte voorlichtingsbladen met foto's van hoogwaardigheidsbekleders die onvermoeibaar bezig waren met het toespreken van conferenties, het openen van congressen en het tekenen van akkoorden. Vooral dat laatste: de minister van Cultuur, onderwijs, opvoeding en vrede van de Socialistisch-Democratische Republiek Guinée ondertekent een samenwerkingsakkoord met de Loemoemba Universiteit; de president van de Akademie van Wetenschappen van Belize tekent een uitwisselingsovereenkomst met de Akademie van de Duitse Democratische Republiek enzovoorts.

Ik hoop maar dat ons land niet ook dergelijke bladen verspreidt, maar helemaal gerust ben ik daar niet op. Een van de voorlichtingsbladen die ik wel eens ontvang, het blad Uitleg van het ministerie van onderwijs en wetenschappen, doet wat dit betreft namelijk het ergste vrezen. Daarin vinden we met grote regelmaat foto's van ministers en staatssecretarissen die het congres van de Bond van Hulpbehoevende Schoolhoofden toespreken, op ludieke en symbolische wijze door het omverrijden van een namaak-Chinese muur het Centrum voor Allochtone en Inter-etnische Cultuurstudies openen of het rapport Mien, laat nou die titel maar eens zien van de Werkgroep Vrouw en Studie in ontvangst nemen.

Het ergerlijke is niet dat politici deze smakeloze maar tamelijk onschuldige propaganda en zelfpromotie op gemeenschapskosten bedrijven. Dat hoort nu eenmaal bij het vak. Het erge is dat dit verschijnsel zich als een olievlek verspreid heeft over heel de zee van onderwijs en wetenschappen. Pers, voorlichting en public relations, daar gaat het tegenwoordig om. Er is geen instelling of zij heeft een voorlichtingsdienst, er is geen instituut zonder mededelingenblad en, zoals Bomhoff al eens op deze plaats heeft gesignaleerd, er zijn tegenwoordig zelfs schoolhoofden die via advertenties een 'woordvoerder' zoeken. Een woordvoerder!

Ook de universiteiten doen naar hartelust aan dit gezelschapsspel mee. Huisstijlen en hoogwaardige drukwerken verslinden miljoenen. Elke universiteit geeft tegenwoordig wel een serie glanzend en glimmend in veelkleurendruk uitgevoerd drukwerk uit, waaronder een jaarverslag met tal van prachtige foto's. En wat zien we op die foto's? Het laat zich raden: de decaan tekent een overeenkomst, de rector magnificus bekrachtigt een overeenkomst, de voorzitter van het College van Bestuur ontvangt een staatshoofd, een hoge ambtenaar ontvangt een hoogwaardigheidsbekleder, een lage ambtenaar een laagwaardigheidsbekleder etc.

Zijn dit voorbeelden van dezelfde ijdeltuiterij als Bomhoffs woordvoerder zoekende schoolhoofd? Ik geloof het niet. Ik denk dat de meesten van die bestuurders helemaal niet zo gelukkig zijn met al dat gefotografeer. Zij zijn tenslotte niet op grond van hun uiterlijk benoemd en wekken doorgaans sterk de indruk dit maar al te goed te beseffen. Zij zitten er immers meestal wat onhandig bij met een blik waaruit blijkt dat zij dit alles ook alleen maar doen omdat het er nu eenmaal bij hoort. De public relations-experts hebben hen er ongetwijfeld van overtuigd dat het bijdraagt tot de naamsbekendheid, het image en de corporate identity van de betrokken instelling. En aangezien iedereen nu eenmaal mee moet doen in de grote slag om niet vergeten te worden en niet uit de gunst te raken, om vóór in de rij te staan als de minister een extraatje op tafel werpt en achter in de rij als er weer eens hervormd, vernieuwd, geherstructureerd, kortom bezuinigd moet worden, schikken zij zich gelaten in hun lot.

Aan deze permanente struggle for life danken we ook het verschijnsel dat tonnen gemeenschapsgeld worden weggegooid aan paginagrote advertenties waarop we jongelui zien zitten lanterfanten op Maastrichtse caféterrassen of ernstig in kolven en retorten turen in Amsterdamse laboratoria. En daaraan danken we ook een met grote regelmaat terugkerende foto van de Amsterdamse rector magnificus die onze jeugdige medemensen met een vaderlijke glimlach welkom heet in de hoofdstad en hen aankijkt met een blik alsof hij ze allemaal wel even persoonlijk zou willen knuffelen, als daar tussen het tekenen van uitwisselings- en samenwerkingsovereenkomsten door maar tijd voor was.

'I have a dream'. Die droom is dat op een goede dag alle rectors, voorzitters, presidenten en what have you hun pers-, public relations- en voorlichtingsmensen bij zich roepen en zeggen: “Dames en heren, dat wij bladen en verslagen moeten uitbrengen, het zij zo. Dat het vlot geschreven moet zijn en vrolijk geïllustreerd, met een praatje en een plaatje, een babbeltje en een schnabbeltje, het kan waarschijnlijk niet anders. Als het moet, dan schrijven jullie maar dat Erasmus eigenlijk de eerste provo was, Scaliger de duurste academische transfer aller tijden en Hugo de Groot een rechtstreekse voorganger van minister Kooijmans. Als het moet, dan moet het. Maar wat wij niet meer willen zien, zijn foto's waarop wij 'raamovereenkomsten' tekenen of 'samenwerkingsverbanden' aangaan. Wij hebben zelf gestudeerd en gedoceerd en wij weten dat universiteiten er zijn om te studeren, onderzoek te doen en daarover af en toe iets op te schrijven. Daarvoor kan het soms nuttig zijn een overeenkomst te sluiten of een samenwerkingsverband aan te gaan. Onder ons gezegd en gezwegen is er nog een andere reden waarom wij dat met zoveel overgave doen. Wij willen namelijk graag een paar keer per jaar op reis en wij praten eerlijk gezegd liever met onze collega's in Peking en Pretoria dan met die sufferds van de universiteitsraad. Daarom is het prima als er af en toe iets valt te tekenen of te openen. En wij willen daar ook best foto's van hebben, voor thuis en voor later. Maar in onze eigen publikaties willen wij ze niet meer zien. Zo, dat was het dan, dames en heren, en nu maar weer fluks aan de slag.”

'I have a dream', maar het hoeft geen droom te blijven, want dat het kan, blijkt uit een jaarverslag dat ik onlangs ontving. Het komt uit Amerika, is keurig gedrukt op goed papier maar zonder glans of glim of glitter en zonder één foto. Het bevat in enkele pagina's het jaarverslag van de voorzitter en de directeur, alsmede de balans en de jaarrekening. De overige zeventig bladzijden zijn gewijd aan de professoren en onderzoekers die er werken, hun publikaties en wetenschappelijke prestaties en aan de academische en andere onderscheidingen die hun ten deel zijn gevallen. Verder bevat dit verslag niets. Het gaat hier om het jaarverslag van het Institute for Advanced Study te Princeton, het instituut waar eens Einstein, Von Neumann, Oppenheimer en vele andere beroemdheden werkten en dat nog steeds het meest prestigieuze onderzoeksinstituut ter wereld is. Het kan dus wel.

    • H.L. Wesseling