Ondergang van Cyrano op Broadway is geen schande

Ondanks de afwerende reacties die tot gisteren nog uit Aalsmeer kwamen, had het gezaghebbende film- en theatervakblad Variety het deze week dus toch bij het rechte eind: de verliezen op de Broadway-produktie van de musical Cyrano waren niet langer te dragen. Bij een zaalbezetting die onder de veertig procent bleef steken, kon producent Joop van den Ende niet anders doen dan zijn oogappel om zeep brengen. Zondag zal hij zelf aanwezig zijn bij de laatste voorstelling.

Cyrano, de musical van Ad en Koen van Dijk, was vanaf het allereerste begin bedoeld voor een internationale zegetocht. Van den Ende koos voor de opzet die hij had afgekeken van musical-magnaten als componist Andrew Lloyd Webber (Cats, The Phantom of the Opera) en producent Cameron Mackintosh (Les Misérables, Miss Saigon). Hij zou zich, net als zijn grote voorbeelden, niet beperken tot internationale exploitatie van de auteursrechten, maar zelf overal ter wereld de artistieke en produktionele eindcontrole houden - inclusief een in Londen ontworpen logo en een creative team met regisseur Eddy Habbema. En de start daarvan moest worden gemaakt op Broadway, want dat is nu eenmaal nog steeds het Mekka van het musical-genre. Hoger dan Broadway bestaat niet; niet voor niets wordt elders te pas en te onpas het etiket original Broadway version op allerlei voorstellingen geplakt.

In het gesloten Broadway-circuit keek men al meteen danig op van 'de Hollandse media-miljonair', die begon te morrelen aan de gebruikelijke reclamestrategieën en de hiërarchie doorbrak door persoonlijke contacten te onderhouden met iedereen op de werkvloer. Maar hij stuitte ook al gauw op het feit dat hij in New York niet bij voorbaat kon rekenen op de welwillende aandacht van de pers. Vergeleken met de voorpubliciteit die zijn produkties in Nederland genereren, was het op Broadway tot de première van Cyrano doodstil. Voor zover erover werd geschreven, was het met geamuseerde verbazing over deze Nederlander met zijn vermetele plannen. Uit alle macht trachtte Van den Ende de Nederlandse herkomst te verdoezelen, omdat hij wist dat het Amerikaanse publiek de voorkeur geeft aan Amerikaans fabrikaat, maar het epitheton Dutch treat was onvermijdelijk.

Anders dan in de Nederlandse amusementssector komt in New York bijna alles aan op de kritiek - en vooral die in de New York Times. Toen tijdens de party na afloop van de première, op zondag 21 november, de eerste editie van die krant binnenkwam, kreeg Van den Ende zijn eerste klap te incasseren: recensent Ben Brantley oordeelde uiterst gereserveerd over de popularisering van de klassieke toneeltekst van Edmond Rostand. De andere Newyorkse kranten waren, met koppen als Cyrano takes a nose dive en The loser, by a nose, zo mogelijk nog vijandiger. Een week later verscheen in Variety de meest vernietigende kritiek: Sirrah, no! Complimenten waren er alleen voor het toneelbeeld en, hoewel niet unaniem, voor hoofdrolspeler Bill van Dijk.

Van den Ende trachtte die tegenvaller te compenseren met een ongeëvenaarde reclamecampagne die de indruk moest wekken dat de show 'a triumph!' was. Zo hoopte hij de negatieve reacties zo snel mogelijk te neutraliseren en te vervangen door de mond-tot-mond-reclame van enthousiaste bezoekers. Maar het heeft niet meer voldoende geholpen. Bijna elke week moest er geld bij - en de laatste weken steeds meer, tot het eerder vastgestelde maximum van 16 miljoen gulden verlies was bereikt.

Toch weigert de producent van een flop te spreken: hij heeft het vijf maanden volgehouden en de Broadway-geschiedenis kent immers veel grotere flops. Nog in december moest de musical The red shoes de dag na de première de deuren al sluiten. Maar het is moeilijk in te zien wat het verschil is tussen een miljoenenverlies en een flop. Alleen een schande is het niet; van elke tien Broadway-produkties floppen er gemiddeld acht.