Netelkruipertjes

De lente is niet ver meer. Deze week arriveerde de tjiftjaf, Nederlands onbeduidendste broedvogeltje met een zang die nog hopelozer en wanhopiger klinkt dan die van een mus of een rietgors. Een zang die tamelijk precies door de naam wordt aangegeven, want meer dan tjif-tjaf-tjif-tjaf wordt er zelden ten gehore gebracht. Ja, soms: tjif-tjif-tjaf.

De tjiftjaf dus, ofwel: de zilpzalp, zoals hij in Duitsland heet. Of chiffchaff, zoals de Engelsman zegt. Of csilpcsalp en tiltaltti. Want zó onbetekenend was de zang niet of Duitsers, Engelsen, Hongaren en Finnen zagen er een goede aanleiding in om hem als aanduiding van de soort te gebruiken.

In dit opzicht wordt het vogeltje alleen voorbij gestreefd door de koekoek, die zonder één uitzondering in heel Europa 'koekoek' (of Kuckkuck, cuckoo, coucou, cuculo, kakukk, enzovoort) heet en de kievit die in minstens acht talen een onomatopee ontving. Kiebitz, bíbic, vipa, vipe, vibe, abibe, vepja.

Het is allemaal terug te vinden in het boekje 'European bird names in fifteen languages' van Roland Sandberg dat in 1992 in Zweden verscheen. In essentie weinig meer dan een namenlijst, maar een lijst die door zijn volledigheid ongewoon intrigeert, uitnodigt tot turven en rubriceren en het trekken van conclusies over herkomst en verspreiding van vogelsoorten en de evolutie van vogelnamen.

Met precies dat karweitje heeft de AW-redactie zich de afgelopen dagen bezig gehouden, langzaam in een staat van waanzin rakend omdat geen Grote Verbanden naar voren kwamen, geen unifying theories zichtbaar werden.

Korte namen duiden meestal op grote bekendheid met de vogel, maar andersom geldt dat weer niet. Nergens kwam men op de gedachte de houtduif of de koolmees een onomatopee te geven, hoewel dat toch erg voor de hand had gelegen. Geen land in Europa waar vogels zó vaak een klanknabootsing als naam kregen als Nederland (grutto, wulp, tureluur, kluut, wielewaal, karekiet, kauw, kraai, vink, kneu en misschien ook raaf, hop, snor, smient, fuut) maar geen geleerde die daar een conclusie aan verbinden wil. De meest voor de hand liggende is de minst opwindende: in andere landen hebben nomenclatuurcommissies en taalzuiveraars bestaande volksnamen terzijde geschoven en een naam uitgereikt die zij om een of andere reden passender vonden. Wat daar op wijst is dat in Italië, Frankrijk en Spanje consequent een binaire nomenclatuur à la Linneaus wordt gebruikt.

In Nederland is, zegt emeritus hoogleraar dr. K.H. Voous, al in de vorige eeuw spontaan een grote consensus ontstaan en toen de Commissie Nederlandse Avifauna in de jaren vijftig een officiële lijst opstelde waren er niet veel knopen meer door te hakken. Het mag blijken uit het feit dat de lijst nauwelijks verschilt met de index van Nederlands eerste vogelgids die in 1937 verscheen.

Zo lag opeens weer 'Zien is kennen' op tafel, met de ontroerende maar niet altijd even trefzekere aquarellen van Rein Stuurman. En die wonderlijke opsomming van volksnamen die aan de beschrijving van het prachtkleed voorafging, een opsomming die altijd de indruk wekte dat volk of landman vroeger een zeldzame kennis van de natuur bezaten. Vraag de moderne agrariër eens of de tjiftjaf al terug is of hoe je een tjiftjaf en een fitis uit elkaar houdt. De vooroorlogse boer draaide daar zijn hand niet voor om.

Of wel? Enige onzekerheid terzake was al gewekt door de verbluffende Europese spraakverwarring die in het boekje van Sandberg zichtbaar wordt. Wat Engelsen een brent goose noemen blijkt bij nader inzien een rotgans te zijn en de Deense brandgans is een bergeend. Maar de Zweedse bergand is weer een toppereend en de Noorse toppand een kuifeend. De Deense en Noorse kirkeugle is geen kerkuil maar een steenuil, de Engelse sparrow geen spreeuw maar een mus, de goldfinch geen goudvink maar een putter. Enzovoort: om gek van te worden.

Is wat zich tussen de landen van Europa afspeelde misschien ook binnen Nederland opgetreden? Met trillende vingers bladeren in 'Zien is kennen', want hier staat het onaantastbaar geleken gezag van de landman als natuurkenner op het spel. En waarachtig. De geraadpleegde oude visserman die zonder aarzelen de naam 'kokmeeuw' opgaf voor wat nu inderdaad officieel een kokmeeuw mag heten, gaf met dezelfde beslistheid dezelfde naam op voor een zilvermeeuw en een mantelmeeuw. Verder achter de duinen kon men met 'katuil' zowel een kerkuil, een ransuil, een velduil als een bosuil bedoelen. Het sympathieke 'duimpje' is uitgereikt aan het boomkruipertje, het winterkoninkje en de tjiftjaf. Tuinfluiters, grauwe vliegenvangertjes en grasmussen, dat waren allemaal kersenpikkertjes, zoals er ook allerlei tureluurs, netelkruipertjes en braambijtertjes waren. De landman had net zo goed zijn drijfsijssie als de Amsterdammer.

Hoe, vraagt men zich ongerust af, hoe zijn eigenlijk die volksnamen verzameld. Trok men met kooivogeltjes of balgjes langs de deur of nam men de respondenten mee het vrije veld in? De volksnamen zijn verzameld door het Nederlands dialectenbureau, weet Voous. Dat blijkt, sinds de oprichting in 1932, onderdeel te zijn van het P.J. Meertensinstituut in Amsterdam. Op korte termijn is daar geen antwoord op de kwestie te krijgen.

Improviserend spreekt men het vermoeden uit dat de namen met hulp van vragenlijsten zijn verkregen. Voor de oorlog werd het ruwe materiaal vaak door hoofdonderwijzers en dergelijke verzameld. Waar dat nuttig of nodig was werden illustraties gebruikt: liet men afbeeldingen van oogstinstrumenten zien om de streeknamen voor sikkels en dorsvlegels te achterhalen. Zo rijst het vreselijke vermoeden dat de Nederlandse vogelvolksnamen zijn gebaseerd op een boek met vogelplaatjes, misschien wel de aquarellen van Rein Stuurman.