Hoogleraren bekritiseren 'vooroordelen' van de VVD

Het wetenschappelijk bureau van de VVD hield gisteren een discussie over de toekomst van het hoger onderwijs. De centrale klacht van de liberale Teldersstichting is: 'Het hoogste niveau komt niet meer aan bod'.

DEN HAAG, 17 MAART. “De VVD blijft geobsedeerd door selectie in het hoger onderwijs”, constateert J.G.F. Veldhuis teleurgesteld na afloop van een VVD-symposium in Den Haag. Hij is voorzitter van het college van bestuur van de Universiteit van Utrecht en heeft vanaf de tribune de discussie in de vergaderzaal van Eerste Kamer gevolgd. “De partij concentreert zich op de bovenste 15 procent, ten behoeve van de achterban en het bedrijfsleven. De VVD heeft geen interesse in de rest van de groep. Maar van hoe het universitaire systeem werkt hebben ze weinig kaas gegeten.”

VVD-leider F. Bolkestein, eveneens aanwezig bij het symposium, wijst die beschuldiging van eenzijdigheid van de hand. Maar dat hij een groot voorstander is van 'selectie aan de poort' in het hoger onderwijs is geen geheim. “Want dat heeft een goed effect op het studiegedrag van de studenten”, aldus Bolkestein.

“Om het wetenschappelijk onderwijs echt wetenschappelijk te maken zou je nog maar 10 à 20 procent van de huidige studenten moeten overhouden”, had eerder op de middag P.G.C. van Schie van het wetenschappelijk bureau van de VVD, de Teldersstichting, in zijn inleiding geponeerd. Want “van velen die het hoger onderwijs betreden, mag betwijfeld worden of zij de juiste capaciteiten en belangstelling bezitten; intelligentie is toch vooral een kwestie van aanleg”.

Van Schie stelt daarom voor het hoger onderwijs in vier nieuwe typen te verdelen. Drie typen moeten streng selecteren: de zuiver wetenschappelijke universiteit voor de echte onderzoekers, de 'topscholen' voor beroepen als arts en manager en het 'gewone' Hoger Beroepsonderwijs voor beroepen als vertalers en verpleegsters. Voor de rest van de huidige universitaire en HBO-studenten moet er 'hoger algemeen onderwijs' komen: algemene vorming op HBO-niveau, gedurende twee jaar en toegankelijk voor iedereen met ten minste een HAVO-diploma.

De centrale these van de Teldersstichting dat de massaliteit de kwaliteit van het hoger onderwijs ontoelaatbaar heeft doen dalen, kreeg weinig steun van de andere deelnemers aan het symposium. O.G. Brouwer, voorzitter van de Hogeschool Gelderland, hekelde het “vooroordeel over de superioriteit van theorie boven praktijk, kennen boven kunnen”.

De Enschedese hoogleraar F.A. van Vught, directeur van het Centrum voor studies van het hoger-onderwijsbeleid, steunde Van Schie's pleidooi voor differentiatie tussen de verschillende niveaus en onderwijstypes. Maar hij wees er op dat Nederland met 30 procent van de leeftijdsgroep internationaal al lang niet meer de hoogste participatie in het hoger onderwijs heeft. Frankrijk streeft inmiddels naar 80 procent.

De felste aanval op de gedachte van de Teldersstichting deed R.A. de Moor, hoogleraar sociologie en oud-rector magnificus van de Katholieke Universiteit Brabant. Volgens hem is de in 1981 ingevoerde beperking van de studieduur tot vier jaar veel meer een oorzaak van eventuele afname van de kwaliteit van het onderwijs dan de massaliteit van de studenten. De Moor: “De toename van de deelname aan het hoger onderwijs is veroorzaakt door het opruimen van culturele en financiële barrières. Het is het talent uit de lagere klassen en van vrouwen dat een kans heeft gekregen.” De roep om selectie aan de poort duidde volgens De Moor vooral op een eigen falen: “Het komt neer op iedereen wegwerken die het niet kan halen in jouw eigen beroerde onderwijsssysteem. Selectie maakt onderwijs te gemakkelijk.”

Maar weinigen gingen in op de vraag of de hoogst begaafden in het huidige hoger onderwijssysteem nog een plaats kunnen vinden, hoewel die vraag centraal stond in de inleiding van Van Schie. “De besten regelen het zelf wel”, zei de Utrechtse rector magnificus J.A. van Ginkel. “De besten moeten extra steun krijgen”, zei oud-voorzitter K.J. Cath van de Leidse universiteit, “maar in Leiden gebeurt dat al bij rechten, met extra colleges voor de besten.”

Na afloop zei voorzitter Veldhuis van de Utrechtse universiteit desgevraagd: “Dat gebrek aan aandacht valt nogal mee, want hoogleraren zijn altijd het meest gecharmeerd van briljante studenten.” Per faculteit zijn er wel verschillen. “Bij sociale wetenschappen en letteren stuit extra zorg voor excellente tracés op democratische protesten en angst voor banenverlies. Een vak als natuurkunde is weer veel te selectief, daar bestaat juist te weinig aandacht voor de middengroep.” Door verbetering van deze situatie zou volgens Veldhuis de kwaliteit van de universiteit al flink verbeterd worden, zonder ingrijpende systeemverandering.