Handel met Japan

Al jaren lang heeft Japan een groot overschot in het handelsverkeer met de rest van de wereld. Het verkoopt de wereld meer goederen dan die wereld aan Japan weet te slijten. Veel mensen is dit een doorn in het oog. Handel en ook internationale handel moet iets wederkerigs hebben. Anders gaat de lol eraf. Als jij mij van alles verkoopt en ik slaag er bijna nooit in jou iets te verkopen, dan word ik daar niet vrolijk van. En niet alleen dat; ik kom ook in financiële problemen omdat ik steeds moet betalen en weinig terug ontvang. Ik baal pas echt wanneer jij me dan met een breed gebaar geld leent om staande te blijven.

En dat doet Japan. Het heeft door zijn voortdurende exportoverschotten de grootste internationale reservepot van de wereld (100 miljard dollar) en kan zich veroorloven bankier van de wereld te spelen.

De grafiek laat zien waar de pijn zit. De goederenuitvoer stijgt gestaag. Of het nu goed of - zoals nu - slecht gaat met de Japanse economie, de uitvoer groeit verder. Daartegenover heeft de invoer in 1990 een duidelijke tik gekregen van het inzakken van de Japanse bestedingen. Consumenten hebben in een laagconjunctuur sombere verwachtingen. Het Japanse salaris bestaat vaak voor een deel uit een winstafhankelijke bonus. Geen of lagere winst: geen of lagere bonus. Ze zien ook hun baan bedreigd, omdat het zó slecht gaat met Japan dat het 'baan-voor-het-leven'-idee op de helling moet. Dus kopen ze minder, ook buitenlandse spullen. Hetzelfde geldt voor bedrijven die op hun beurt reageren op de terugval van de consumentenaankopen. Zij voeren minder grondstoffen, halffabrikaten en machines in. De goedereninvoer loopt terug. De uitvoer blijft stijgen, want bij teruglopende afzetmogelijkheden op de thuismarkt vergroten Japanners hun exportinspanningen. Het resultaat is een toenemend uitvoeroverschot : van 63 miljard dollar in 1990 tot 145 miljard in 1993. Dat is ruim 4 procent van het bruto nationaal inkomen. Overigens niet veel groter dan het Nederlandse.

Van tijd tot tijd komen Japans handelspartners in actie. Japan wordt verweten dat het zijn handelsoverschot aan een te agressieve exportpolitiek dankt. Het antwoord is eenvoudig. 'Jullie zijn het toch die zo graag onze spullen kopen. Jullie willen camera's, auto's, motorfietsen, walk- en discman's, video-apparatuur, tv's, versterkers...' En inderdaad we kopen het allemaal gretig vanwege de goede kwaliteit, het fraaie ontwerp, de goede service en de redelijke prijs. Nee, het is handiger de verwijten op de invoer door Japan te richten. Maar ook dat valt niet mee. Invoerheffingen zijn er niet of nauwelijks. 'Kom maar binnen met je produkten', klinkt het dan ook uitnodigend. Maar in de praktijk blijken er nogal wat hindernissen te nemen. Ten eerste stellen Japanse klanten buitengewoon hoge eisen aan de kwaliteit van een produkt. Verder bestaan er dan wel geen douanetarieven, maar er zijn wel allerlei soorten zogeheten non-tarifaire bescherming. Bloembollen moeten worden doorgesneden om te kijken of er geen beestjes in zitten. Parfums blijken een stof te bevatten waar de delicate Japanse huid niet tegen bestand is. En als die klippen uiteindelijk omzeild zijn, wacht nog een onprettige verrrassing. Om goederen te verkopen moet je ze wel eerst in de winkel zien te krijgen. Maar in Japan zijn de meeste distributiekanalen in handen van de fabrikanten. Met als gevolg dat de winkels en warenhuizen weinig belangstelling blijken te hebben voor een produkt dat niet uit hun moederfabriek komt.

Het zijn vooral de Verenigde Staten die zich steeds kwader maken over deze Japanse aanpak. Daar is dan ook de hele consumentenelektronica-industrie weggevaagd door de Japanse exporten. Met de auto-industrie was bijna hetzelfde gebeurd. Af en toe ontstaat er een handelsoorlog tussen Japan en de VS. Onder dreiging met allerlei Amerikaanse tegenacties gaat Japan dan meestal door de knieën. Plechtig wordt in zo'n geval door de Japanse regering beloofd dat de invoer van Amerikaanse produkten met kracht zal worden bevorderd. Vervolgens gebeurt er niets en dat is best te begrijpen. De Japanse regering heeft namelijk geen machtsmiddelen om wie dan ook in Japan tot grotere invoer te bewegen.

Voor Bill Clinton is de maat nu vol. Anders dan de presidenten Reagan en Bush, laat hij zich adviseren door mensen die als volgt redeneren. 'Vrijhandel is inderdaad een prachtsysteem. Zolang alle partijen zich aan de regels houden. En dat doet Japan niet. Dus willen wij nu de vrije handel afdwingen door per produktgroep af te spreken hoeveel de VS en Japan daarvan bij elkaar zullen kopen.' De dwangmaatregelen zijn het aanspannen van een procedure bij de GATT (Algemene Overeenkomst inzake Tarieven en Handel). En omdat deze wereldhandelsorganisatie geen straffen kan opleggen, brengen de VS ook maar vast hun 'Super-301' geschut in stelling. Een wet die tegenmaatregelen mogelijk maakt als een handelspartner de Amerikaanse uitvoer belemmert. Met vrijhandel heeft het niet veel meer te maken, het heet dan ook 'managed trade'. En, o ironie, het gaf Japan de mogelijkheid om op 12 februari jl. voor het eerst in de geschiedenis 'nee' te zeggen tegen de Verenigde Staten. Premier Hosokawa voelt niets voor die 'targets'; hij werpt zich op als kampioen van de vrije handel.