Glasvezels produceren natuurgetrouwer sterrenhemel

In december werd in het Deutsche Museum in München een nieuw type planetariumprojector in gebruik genomen. Het principe ervan is nog steeds hetzelfde als dat van de projector die tachtig jaar geleden bij Carl Zeiss in Jena werd uitgevonden: de beelden van zon, maan, planeten en sterren worden via een lenzenstelsel op de binnenwand van een verduisterde koepel geprojecteerd. Maar het nieuwe type is compacter dan de voorafgaande typen en geeft de sterren nòg natuurgetrouwer weer. Dit laatste is mogelijk dank zij het gebruik van glasvezels.

De tot nu toe gebruikte planetariumprojectoren hebben twee 'bollen' met projectoren: één voor de noordelijke en één voor de zuidelijke hemel. Door het kantelen van de 'halter' kan men de toeschouwers van het noordelijk halfrond naar de zuidelijk laten reizen. Bij de nieuwe projector, Modell VII, worden de 9100 sterren geprojecteerd vanuit één bol, die in alle richtingen vrij kan draaien. Vroeger maakten de projectoren voor zon, maan en planeten ook deel uit van de sterrenhemel-projector, maar bij het nieuwe type staan ze er los van.

De tot nu toe gebruikte projectoren hebben een centrale lamp die omringd wordt door maskers met heel kleine gaatjes. Ieder masker vertegenwoordigt een stukje van de sterrenhemel. De helderheid van een ster wordt bepaald door de diameter van het gaatje. Het beeld van de maskers wordt met behulp van lenzenstelsels op de koepel geprojecteerd. Verreweg het grootste deel van het licht van de lamp wordt echter door de maskers tegengehouden (omdat het grootste deel van de hemel donker is) en omgezet in warmte. Dit maakt het moeilijk om sterbeeldjes te creëren die zowel heel helder zijn als heel klein.

Kleine, puntvormige sterbeeldjes zijn gewenst om de sterren zo natuurgetrouw mogelijk te kunnen nabootsen. In de nieuwe projector heeft men dit probleem opgelost door de gaatjes in de maskers via glasvezels van licht te voorzien: 'een oplossing die niet zo moeilijk te bedenken was, maar constructietechnisch nog heel wat voeten in de aarde heeft gehad', aldus de makers. Het nieuwe instrument werd ontwikkeld in samenwerking met Carl Zeiss in Oberkochen.

Doordat iedere ster zijn eigen glasvezel heeft, kan vrijwel al het licht van de centrale lamp worden benut. Daardoor behoeft het vermogen van die lamp niet groot te zijn. Gebruikte men vroeger lampen van 1000 tot 4000 watt, nu kan men volstaan met 100 watt. En toch zijn de sterren helderder en meer puntvormig. Tijdens een demonstratie voor vakmensen in de Globe Arena in Stockholm, die een koepel van maar liefst honderd meter in diameter heeft, werd de innovatie 'het begin van een nieuw tijdperk in het weergeven van de sterrenhemel' genoemd.

    • George Beekman