Dood aan de grunch(Grunge), Leve de extravagantie; Wintermode van 1994 doorbreekt alle grenzen

Vivienne Westwood eert het achterwerk met uitbundige bilkussens, Miyaké laat gras groeien op hoeden, Gaultier reist af naar Alaska en hult zijn modellen in gewatteerd fluweel en donsjekkers van kaftan.

De zeventig ontwerpers die vorige week in Parijs hun prêt-à-porter collecties voor herfst/ winter '94-'95 presenteerden, zijn het pessimisme voorbij.

Fantasievol, vrolijk, glamoureus, extravagant, exotisch en vrouwelijk: daarmee is de komende wintermode gekarakteriseerd. Somberheid en anti-esthetiek, conceptualisme en minimalisme, grunch- en eco-mode zijn 'uit'. Alleen Rei Kawakubo, de ontwerpster van Comme des Garçons en Ann Demeulemeester deelden het nieuwe optimisme niet.

De mode voor het komende winterseizoen doorbreekt alle grenzen. Dag- en avondkleding wordt door elkaar heen gedragen; opvallend zijn de systematische contrasten. Zeer kort gaat samen met heel lang, heel smal met heel wijd, en wat de stoffen betreft, arm met rijk. Prachtige weefsels als brokaatzijde en goudlamé worden gecombineerd met mannenkledingstoffen, gekookte wol, mohair of plastic. De motieven zijn veelal oriëntaals en folkloristisch, want de ontwerpers zoeken nog steeds inspiratie in verre landen. De kleuren zijn barok en warm, zwart en wit, felrood en roze. Bijna alle collecties toonden (nep)bont en veren.

Net als bij de haute couture geeft mini de toon aan. Korte rokjes zijn er in vele vormen: 'boulle' en 'pouf' bij Westwood, Montana en Chanel, 'plissé' en 'portefeuille' bij Gaultier en Jean Charles de Castelbajac, 'koker' bij Lagerfeld en klokkend bij Chloë en Lacroix. Lange, soepele rokken zijn er ook, bij voorbeeld bij Dries van Noten en Romeo Gigli. Ze worden meestal gedragen over broeken. In alle collecties neemt de broek overigens een belangrijke plaats in. Ze zijn extreem wijd of juist model 'cigarette', en hebben vaak een verhoogde taille. Ook zijn er hyperkorte shorts, leggings, knickerbockers en nauw aansluitende kniebroeken. Nieuw en in vele collecties aanwezig zijn de heuplange kamerjassen, peignoirs of kimono's onder oversized voetlange jassen.

De rokken steeds korter, dan de laarzen langer; dat is logisch bij winterweer. Onvermijdelijk voor de komende winter is dan ook de knie- of lieslaars. Met hoge hakken of plat, met veters of gespen, in vele kleuren suède, leer of rubber en voor de avond in geborduurde en met kralen bezaaide satijn.

Net als in oktober, opende Dries van Noten de modeweek. De Belgische ontwerper, die steeds meer succes oogst in Frankrijk, deed dit in het schitterende Musée Jacquemart-André, een hôtel particulier uit de Belle Epoque. Een omgeving die uitstekend paste bij zijn retro-collectie, met invloeden uit zowel de achttiende, als de jaren veertig en zeventig van de twintigste eeuw. Subtiel waren de combinaties van wijde en krappe romantische jasjes van droge wollen stof, boven lange en halflange, laag-over-laag jurken en rokken, uitgevoerd in zijde en mousseline met verwelkte bloemmotieven. Nieuw waren de extreem wijde broeken in grijsbruine mannencolbertstoffen, onder gebloemde strakke hesjes, met daaroverheen een oversized militaire jas.

Landgenote Ann Demeulemeester leek daarentegen haar inspiratie kwijt te zijn. Na anderhalf uur wachten in de vaal verlichte Ecole des Beaux Arts zagen we een deprimerende déjà-vu collectie. Waar bij Van Noten de extreme contrasten van vorm en stof tot vooruitstrevende elegantie leiden, veroorzaken ze bij Demeulemeester een vlooienmarkt-stijl waar iedereen nu wel op is uitgekeken. Grapjes (?) als mannenschoenen met naaldhakken, gerimpelde en geplooide bruinbeige kousen - die een sterke overeenkomst met de steunkous vertoonden -, en openhangende gulpen, kwamen dit modebeeld bepaald niet ten goede.

Alle shows begonnen meer dan een uur te laat en ook konden enkele veldslagen niet vermeden worden. Die deze keer niet werden veroorzaakt door een slechte organisatie of opdringerige modegroupies, maar door Robert Altmann. De Amerikaanse cineast besloot na veel getwijfel een gedeelte van zijn film, 'Prêt-à-porter', die volgend jaar in première gaat, voor en tijdens een aantal defilés te draaien. Met Sophia Loren, Lauren Bacall en Kim Basinger in de hoofdrollen betekende dat sensatie.

Vooral bij de show van Christian Lacroix veroorzaakte de onaangekondigde vertoning van Altmanns film grote opwinding. Bij haar entree kreeg 'La Loren', gekleed in een zwart 'new look' pak van Chistian Dior, spontaan applaus. De ontwerper verontschuldigde zich persoonlijk voor de vertraging en kondigde zijn nieuwe lijn 'bazar' aan: een goedkopere collectie voor het dagelijkse straatleven, waarin sportswear en geklede stukken gecombineerd worden. Dat Lacroix kan combineren als geen andere ontwerper, bleek weer uit zijn vrolijke en sensuele prêt-à-porter collectie. Meer dan ooit mengde hij periodes, streken en landen, vormen, lengtes, materialen en motieven op een onnavolgbare manier, zonder dat dat een circus-effect opleverde.

Verleidelijk waren de Lodewijk XVI redingote-jasjes in donkerblauw fluweel met folkloristische, oranje bloemmotieven boven fladderende minirokjes van oriëntaalse zijde. Gedurfd de gouden leren minishorts onder trenchcoats of parka's met etnische motieven. De zwaar geborduurde panties hadden het effect van lieslaarzen.

'Happy Birthday' zong de horde fotografen in koor toen er tijdens het poëtische defilé van Issey Miyaké een serie verjaardagshoeden met brandende kaarsen tevoorschijn kwam. Ook de hoeden met echt groeiend gras, en hoofddeksels van suiker, brood, omgekeerde pannen, lampekappen of lege Kleenexdozen veroorzaakten veel plezier. Miyaké, wiens beroemde onkreukbare stoffen over de hele wereld worden nagemaakt, blijft de grootmeester van de 'plissé'. Dat bleek weer uit een heel nieuwe serie 'lampion', 'visgraat', 'diagonaal' en 'trappenplisées', niet meer uitsluitend uitgevoerd in synthetische stoffen, maar nu ook in vrolijk gekleurde wol en jersey.

Bij de Engelse ontwerpster Vivienne Westwood vonden we geen persmap, maar een flesje cognac op onze stoel. Een grapje dat de toon aangaf voor haar excentrieke collectie, doortrokken van humor en kitsch. Deze keer bracht Westwood een hommage aan het achterwerk. Ultra-korte minirokjes in Schotse ruit afgezet met namaak-chincilla bont, werden net als de tulpvormige kokerjurken van geborduurde tricot, opgevuld met de faux-cul: een bilkussen dat in de mode van de laat negentiende eeuw een onmisbaar accessoire was.

Grote pret had iedereen ook bij Jean-Paul Gaultier, die zijn publiek deze keer meenam naar Nepal, Tibet, Mongolië en Alaska. Op een gehuurde metrotrein - omgetoverd tot Transsiberië Express - belandden de genodigden rechtstreeks in een verlaten trein-remise, een gigantische staal- en glasconstructie uit 1840. Deze was bezaaid met synthetische sneeuw, waarvan de giftige gassen nogal wat getraan en gehoest opleverden. “Tranen van de Poolkou”, noemde Gaultier het.

Mannequins afkomstig uit de betreffende landen, maar ook topmodellen als Christy Turlington en Linda Evangelista, toonden giechelend en struikelend over de sneeuwmassa, een sprookjesachtige collectie. De ploeg van Robert Altmann was in de hemel. Prachtig waren de kaftans van gewatteerde fluweel, de donsjekkers van brokaatweefsels, de eskimo-tuniekjassen met rode en zwarte Aziatische tekens. Ze werden gedragen ònder bontbroeken of voetlange jurken van Tibetaanse zijde, waaronder ook nog satijnen broeken uitpiepten.

Met zijn collectie voor Chanel zorgde Karl Lagerfeld voor een schouwspel met vuurwerk. In een daverend tempo stuurde hij 243 moderne, sportieve en sexy neo-Coco-outfits de catwalk op en bracht daarmee de grootste collectie van de week. Een vloed van ideeën met hoogglanzende jumpsuits, glimmende toreador- en fietsbroeken, vliegersjasjes, bolle minirokjes van fel gekleurd nepbont en schoudertassen voor mineraalwaterflessen, steeds met knipogen naar de chique Coco-kleding, wisten voorgoed de 'bourgeois'-look van de Chanelvrouw uit. Een Olympisch slot van een uitbundige modeweek.

    • Hadewijch Bouvard