De nieuwe heren van de thee

In 'Heren van de thee', de roman van Hella Haasse, wordt de ontwikkeling van de theeplantage Gambung op West-Java beschreven. Hoe ziet de plantage er nu uit?

'De enige vraag die ik na lezing van het boek had, was hoe het uiteindelijk verder is gegaan met de plantage', schrijft Reinjan Mulder in zijn recensie van 'Heren van de thee' van Hella Haasse (NRC Handelsblad 21 februari 1992).In 'Heren van de thee' wordt de geschiedenis van de theeplantages op West-Java beschreven. Van het boek zijn inmiddels meer dan 25 drukken verschenen.

Inderdaad, hoe ziet de plantage er tegenwoordig uit? Het oude Gambung met het plantershuis, de fabriek en de tuin zijn er niet meer. Het zijn nu vooral experimenteervelden voor nieuwe soorten thee (en kina), zoals het ook in 1873 begonnen is. Die nieuwe planten worden vergeleken met bestaande typen, ontwikkeld uit de Gambung-theekloon. Thee kan gezaaid worden, maar ook geplant als kleine tak. Een jaar later gaat de jonge struik naar de tuin en kunnen na twee of drie jaar de eerste blaadjes geplukt worden.

Malabar

Wie de sfeer van een echte theeplantage wil proeven met de vele mensen die zorgen voor het plukken van de drie of vier bovenste blaadjes van iedere tak tot het kant en klare produkt, moet in Malabar zijn, 55 km zuidelijk van Bandung. Rudolf Eduard Kerkhoven was de bouwer van Gambung. In de roman van Hella Haasse wordt beschreven hoe hij in 1890 te maken krijgt met de ontwikkeling van Malabar als plantage. Gambung kende toen een overproduktie van kina, maar tegelijk kwamen er meer florissante vooruitzichten van thee op de markt. Op de hoogvlakte van Pengalengan ten zuidwesten van het Malabar-gebergte waren uitgestrekte percelen woeste gronden beschikbaar, door bodemgesteldheid en klimaat zeer geschikt voor theestruiken. Net als bij Gambung werden de gronden veroverd op het tropisch bos, waarin nog tijgers en panters leefden.

Het waren vooral theeplanters van de Nederlandse geslachten Kerkhoven en Holle die de gouden tijden van de theecultuur deden aanbreken in die laatste jaren van de vorige eeuw. Kerkhoven stelde in 1896 zijn neef K.A.R. (Ru) Bosscha in Malabar aan als administrateur-manager voor alle plantages in het gebied. Zelf werd Kerkhoven commissaris-superintendent. Bosscha bleef 32 jaar tot zijn dood in 1928. In 1930 telde Java 286 theeplantages, waarvan alleen al 249 in de hooglanden van Pengalengan.

Bosscha werd op z'n verzoek op Malabar begraven temidden van de thee. Hij wordt nog steeds vereerd. De mensen denken zelfs dat hij er nog steeds 'is', rondgaand en orders gevend, door middel van iemand in trance. 'Gelovigen' bezoeken zijn graf. En als de Indonesische directeur opdracht geeft een stervende boom bij het vroegere huis van Bosscha om te hakken weigert de arbeider. 'Die boom kan dan wel gevaarlijk zijn, maar mijnheer Bosscha is de eigenaar, ik zal het hem vannacht vragen'. De volgende dag krijgt de directeur te horen dat Bosscha het niet goed vindt. De boom wordt niet omgehakt.

De sfeer van vroeger is op Malabar ook te vinden in het eerste plantershuis, dat nu voor cursussen wordt gebruikt en de eerste fabriek van 1890 die als sporthal dienst doet. Het huidige gastenverblijf was eerst residentie van Bosscha, wiens portret nog vlakbij dat van de president van het land hangt.

Nederlanders hebben sinds 1958 niets meer met de plantages te maken. Familieleden van de vroegere eigenaars komen nog wel een kijkje nemen. Net als andere bezoekers kunnen ze logeren in het gastenverblijf. Van rancune is weinig merkbaar. Ons land is een goede klant van de theeplantages.

Malabar is nu 1400 hectare groot. De plantage is met 18 andere sinds 1972 onderdeel van een staatsbedrijf, gevestigd in Bandung. Thee wordt verreweg het meest verbouwd, daarna volgen rubber, cacao, kinabast, kokosnoten en kruidnagelen. In totaal is op de 19 plantages 42.000 hectare in gebruik en werken er bijna 24.000 mensen.

Zeven theeplantages zijn er in het golvende landschap van Pengalengan op 1400 tot 2000 meter hoogte. De plantages hebben moeilijke tijden doorgemaakt in de periode dat Indonesië het land zelf verder moest opbouwen. Twee plantages elders in het land zijn nog in ontwikkeling. Malabar produceert nu rond 3.000 kg thee per hectare tegen 1.000 kg 20 jaar geleden. Ook op de andere plantages is de produktie toegenomen.

Een klein aantal van de theestruiken is zelfs even oud als de plantage; een leeftijd van 70 jaar wordt door veel meer gehaald. Elke vier jaar worden de struiken uitgedund en gesnoeid tot een halve meter boven de grond, op een enkele tak na, die helpt bij de fotosynthese voor de na twee weken alweer uitlopende onderste takken. Na drie maanden kan er reeds geplukt worden.

Behalve de hoogte van het gebied is de regenval erg belangrijk. Gemiddeld valt er rond 3000 millimeter per jaar tussen oktober en mei. De vele regen en een kil wolkendek dat zelfs in de droge tijd tegen de avond binnendrijft, hebben ook hun keerzijde en kunnen blaartjes op de bladeren veroorzaken.

Mensenwerk

Eens in de twee weken wordt in elk perceel geplukt. Malabar telt 1200 plukkers, voornamelijk vrouwen die van 's ochtends zes tot 's middags drie uur bezig zijn, met een uur rustpauze. Ze zijn kleurig gekleed en goed verzorgd: vaak met oorbellen en lippenstift. Opzichters houden toezicht. De pluksters vullen een zak op hun rug met de bovenste drie tot vijf blaadjes van een tak. Er gaan 150 volle, vijf kg wegende zakken op een vrachtwagen; vroeger moest zo'n vracht lopend naar de fabriek worden gebracht. Elke dag plukt een vrouw in het droge seizoen 30 tot 35 kg bij elkaar; in de regentijd is dat 10 kg meer.

In de fabriek wordt mechanisch door een stelsel van trillende transportbanden en draaiende schijven bereikt dat een steeds kleiner produkt van takjes en blaadjes overblijft. Daarna volgt de fermentatie, een toevoer van extra zuurstof bij grote luchtvochtigheid en hoge temperatuur. Vervolgens wordt het produkt gedroogd en gesorteerd op verschillende typen en kwaliteit. Aan het eind worden grote papieren zakken gevuld; 95 procent is voor de export.

Het hele fabrieksproces duurt minder dan een dag. Van elke 35 kg geplukte blaadjes is dan maar 10 kg over.

Op Malabar heeft men 16 typen thee, van grof (Arabia) tot zeer fijn stof voor de theezakjes. Hoe grover hoe duurder de thee. Malabar levert ook een mengsel van zwarte pure thee van zes geselecteerde plantages. De kwaliteit is dan beter, smaaktoevoegingen zijn uit den boze. De fabriek waarin het mengen plaatsvindt, draait 14 uur per dag. Een derde van de fabriekswerkers is vrouw.

Het verbouwen en produceren van thee is nog grotendeels mensenwerk. 'Het is juist goed om mensen bezig te houden', zegt adjunct-directeur ir. Aan Burhanudin. In het veld gebeurt vrijwel alles met de hand, maar soms wordt nu bij lagere struiken de schaar gehanteerd. Automatisering is niet aan de orde. Ook niet in de fabriek, waar het mechanische proces soms is ingekort en vereenvoudigd, zodat het efficiënter verloopt. Van slechts één gram thee kunnen tegenwoordig drie koppen worden gezet tegen drie gram bij de orthodoxe methode. De kwaliteitscontrole door twee proevers zal altijd wel mensenwerk blijven.

Mensen worden soms wel aangetrokken door ander werk, vooral in de stad, een tendens die overal in Indonesië aanwezig is. Toch is het niet zo moeilijk om de mensen te behouden, want de sociale omstandigheden zijn er naar.

Dàt is de trots van de 'opperheer van de thee' van thans, ir. R.G.S. Soeriadanoeningrat van het staatsbedrijf PT Perkebunan XIII van de 19 plantages en tevens voorzitter van de Indonesische Thee Associatie. Tot 1956 doorloopt hij scholen uit de Nederlandse tijd: de MULO en de HBS, de SMP en de SMA zoals ze nu worden genoemd. Zijn vader vindt eigenlijk dat Guimira - de tweede voornaam wordt meestal gebruikt, ook om de lange achternaam te vermijden - moet gaan studeren in Wageningen. Maar zelf is hij al zo bewust Indonesiër dat hij voor de landbouwuniversiteit van Bogor kiest. Hij werkt vele jaren op de plantage van Malabar en bereikt in 1972 z'n ideaal: directeur ervan. Met tegenzin voldeed hij onlangs aan het verzoek van de minister om z'n huidige functie aan te nemen waardoor hij Malabar moet verlaten.

Men ontkomt niet aan de indruk dat de geest van pionier Bosscha over Guimira vaardig is geweest. Bosscha hield zich niet alleen bezig met thee, maar richtte in Bandung ook een telefoonmaatschappij op, een jaarbeurs, een technische universiteit (het bekende ITB), een doofstommeninstituut en een (Bosscha-) sterrenwacht. Hij zorgde goed voor z'n mensen, en liet huizen en scholen bouwen.

Guimira gaat door in dezelfde lijn. Hij is niet alleen trots op de prestaties wat betreft theeproduktie en -kwaliteit - ook in verhouding tot die van andere landen - maar vooral op de behandeling van de werknemers. De pluksters ontvangen minimaal 3000 rupiah per dag, ofwel bijna ƒ 3,-. Het kan ook wat meer zijn, dat hangt af van de hoeveelheid geplukte blaadjes. Dit minimum dagloon komt neer op ongeveer ƒ 900,- per jaar, iets minder dan het gemiddelde loon in het land volgens recente cijfers van de Wereldbank. Bij meer winst wordt een toeslag uitbetaald.

Familiegevoel

Het loon mag dan wel eens wat hoger zijn bij een kleinere particuliere plantage, maar dan ontbreken voorzieningen die de staatsonderneming wel kent. Zoals een stenen huis met groentetuin en een stuk grond met kokos- of rubberbomen van de onderneming. De produkten kunnen ze op de markt verkopen. Huis en tuin kunnen goedkoop overgenomen worden na pensionering. Er is gratis elektriciteit en water. Hetzelfde geldt voor de medische zorg. Elke plantage heeft een ziekenhuisje, ook voor de gepensioneerden. Zwangerschapsverlof van drie maanden is ingevoerd en er is kinderopvang. Lagere school en MULO zijn gratis en voor de HBS wordt subsidie gegeven. Scholen staan in de dorpjes tussen de plantages maar soms ook midden tussen de oogstvelden. Iedereen heeft recht op 12 dagen vacantie per jaar; soms na een bijzondere prestatie een verblijf op Bali of een subsidie voor een Mekka-reis.

Er is een overleg-organisatie van alle werkers, waardoor de traditionele verhoudingen zijn doorbroken. De onderdanigheid van weleer ontbreekt geheel. Werkers noemen opzichters en directeuren bij hun voornaam. 'Een soort familiegevoel', noemt Guimira het, zelf lid van de werkersorganisatie. Het voordeel van het laatste is volgens hem dat hij meteen kan zeggen of naar voren gebrachte wensen financieel haalbaar zijn. Er zijn overal sportfaciliteiten en men kan in groepsverband of anders traditionele muziek maken of met poppenspelen bezig zijn. Op diverse gebieden zijn competities tussen de plantages onderling. Op zondag is dat duidelijk zichtbaar. Want dat is nog steeds de vrije dag in het land, waar 88 procent van de bevolking Islamiet is.

    • Casper Schuuring