De bedreigde rust van het land der vaderen; Het particuliere landgoed in Nederland

De driehonderd privé-landgoederen in ons land zijn oases van rust en stilte. Liever gezegd, dat waren ze. Grootgrondbezitters voeren harde strijd tegen dalende houtprijzen en Haagse wetten. Een camping of golfbaan brengt geld in het laatje, maar grootvader draait zich om in het familiegraf.

Vereniging van Vrienden van Particuliere Landgoederen. Inl 05250-83525. Vereniging Nederlandse Landgoed- en Kasteel-Campings. Nevenlandsehof 14, 7312 EX Apeldoorn. Inl 055-558844.

De entree van landgoed Deelerwoud ligt midden in Hoenderloo. Twee Anton Pieck-achtige gebouwen flankeren de toegangspoort. Als een auto stopt voor het hek, komt een oud vrouwtje uit een van de portierswoningen en vraagt of de gast een afspraak heeft met Jonkheer Repelaar, de eigenaar van Deelerwoud. Achter de poort loopt een schitterende bosweg naar de residentie, een villa op een heuvel. Het is steenkoud en er ligt sneeuw. Een kudde rendieren zou in deze omgeving niet misstaan.

Deelerwoud is met 700 hectare een van de grotere privé-landgoederen in Nederland. Anders dan de meeste landgoederen, is Deelerwoud niet opengesteld. De 600 hectare bos en de 100 hectare cultuurgrond zijn door een vijftien kilometer lang hek van de buitenwereld afgesloten. De wereld aan de andere kant van de omheining is aan slechts weinigen bekend. Het is de wereld van tradities, aristocratie en grootgrondbezit.

Op Deelerwoud is sinds 1918, het jaar waarin de familie het land in bezit kreeg, weinig veranderd. Jonkheer Repelaar is full-time bezig met het beheer van zijn landgoed. Zijn studie economie had hij bijna voltooid, toen de plicht hem riep. De plicht om zijn landgoed op rendabele wijze te exploiteren. Een landgoedeigenaar wil immers niet interen op zijn eigen vermogen, als hij dat al heeft.

“De verantwoordelijkheid voor het landgoed telde zwaarder dan een maatschappelijke carrière”, zegt Repelaar. “De verbondenheid met de grond is enorm. Als kind hielp je zomers met de oogst, later werd je betrokken bij beslissingen. Je komt er nooit los van.”

De suite waar Repelaar ontvangt wordt warm gestookt met een houtkachel uit 1918. De kranten waarmee hij het vuur aanlegt, zijn van niet veel later datum. Het uitzicht over glooiende, besneeuwde velden geflankeerd door naaldbos - nergens is bebouwing zichtbaar - doet on-Nederlands aan. Repelaar port het vuur nog eens op. “Bos levert vandaag de dag niets meer op. De houtmarkt is compleet ingezakt. De houtopbrengst weegt niet meer op tegen de exploitatiekosten. De boseigenaar kan het beste niets doen. Geen kosten maken, extensiveren. Dat kun je natuurlijk geen jaren volhouden, want je moet je bos wel op kwaliteit houden.”

Dat Repelaars landgoed niet verzinkt in rode cijfers, is te danken aan de agrarische activiteiten, met name aan de teelt van zaaigranen en de verkoop van vleeskalveren uit de zoogkoeienhouderij. Een niet onaardige bron van inkomsten vormt ook de verpachting van restaurant De Woeste Hoeve, dat nog juist op Repelaars grondgebied ligt.

Deelerwoud is afgesloten omdat het landgoed beschikt over een eigen wildstand. Repelaar is eigenaar van 45 stuks 'roodwild' (herten) en 35 stuks 'zwartwild' (everzwijnen). Verder lopen er door de bossen nog enkele reeën en damherten. Het recht op afschot van een hert met een mooi gewei brengt al gauw 7500 gulden op. Het vlees blijft van de eigenaar, de jager krijgt alleen het gewei mee. Repelaar: “Het geeft veel status als je kunt zeggen dat je een hert hebt geschoten op Deelerwoud. En een goed gevoel. Door een verantwoorde selectie help je mee aan het instandhouden van de wildstand.”

Repelaar combineert het beheer van Deelerwoud met het voorzitterschap van de Vereniging van Nederlandse Landgoederen, de VNL. Wat de 80 bij de VNL aangesloten landgoedeigenaren bindt, is dat ze actief bezig zijn met het beheer van hun grondbezit en een grote persoonlijke verbondenheid kennen met het land van hun voorvaderen. De VNL houdt eens in de zes maanden een ledenvergadering, steeds op een ander landgoed. De eigenaar geeft een rondleiding en vertelt over zijn specifieke beheerproblemen. Daarnaast vormt de VNL een krachtige lobby richting Den Haag. Zo worden bestemmingsplannen die schadelijk zijn voor landgoedeigenaren bestreden. Ook heeft de VNL belangrijke invloed uitgeoefend op de totstandkoming van de nieuwe Natuurschoon Wet, volgens welke landgoederen zijn vrijgesteld van vermogens- en sucessie-belasting. Het is voor een landgoedeigenaar bijna een noodzaak om onder de Natuurschoon Wet te vallen, maar de eisen zijn streng. Dertig procent van de grond moet bijvoorbeeld zijn beplant met bomen.

De meeste landgoedeigenaren kennen elkaar. Via de VNL, via de Stichting Particuliere Historische Buitenplaatsen - hiervan mogen alleen bezitters van een pand ouder dan 1850 lid worden -, via de Vereniging van Boseigenaren of gewoon via het sociale circuit. De VNL heeft ook een jongerenafdeling. Daar kunnen jongen en meisjes elkaar ontmoeten om 'in te trouwen'. De jongerenafdeling geldt als een kweekvijver voor toekomstige landgoedeigenaren.

“De contacten gaan vaak ver terug”, zegt baron C. de Weichs de Wenne. Zijn landgoed Geysteren bij Venray, prachtig gelegen in een bocht van de Maas, is sinds 1806 in het bezit van zijn familie. Ook de baron is van professie grondbezitter. Om onder de Natuurschoon Wet te vallen, moest hij acht kilometer lanen en houtsingels planten. Geysteren is opengesteld voor wandelaars en fietsers. Van de 700 hectaren bestaat 300 uit bos, 200 uit aan boeren verpachte cultuurgrond, 150 uit cultuurgrond in eigen beheer en 50 hectaren uit een golfcourse die de baron heeft verhuurd aan een vereniging. Daarnaast drijft De Weichs de Wenne een camping op zijn landgoed. Het zijn vooral de camping, de golfcourse en het eigen landbouwbedrijf die het geld in het laatje brengen.

Van het Nederlandse grondgebied bestaat ongeveer 4,5 procent uit privé-landgoederen. Van 's lands bossen is 41 procent in handen van particulieren. Wat de landgoederen zo bijzonder maakt, is de persoonlijke betrokkenheid. Omdat de landgoederen zichzelf altijd hebben moeten bedruipen, bieden ze op een relatief klein grondgebied een synthese van natuur- en cultuurgrond. Een pluk bos, een paar verpachte hectaren akkerbouw, een stuk heide, het monumentale buiten met de riante moestuin, de schuren en opstallen vormen de ingrediënten van een altijd weer anders, vaak prachtig geheel.

De gebieden van Natuurmonumenten of Staatsbosbeheer bieden deze exclusiviteit doorgaans niet, omdat ze allemaal op een vergelijkbare manier worden onderhouden. “Natuurmonumenten is erg trendgevoelig. Als het ze aardig lijkt om overal wolven rond te laten rennen, dan gebeurt dat ook”, zegt een landgoedeigenaar. De groeiende populariteit van het landgoed blijkt ondermeer uit de snelle groei van de Vereniging van Vrienden van het Particuliere Landgoed. De 350 leden - 'gewone' mensen - steunen de VNL en bezoeken regelmatig een landgoed. Binnenkort worden ze door Repelaar ontvangen op Deelerwoud.

Op Geysteren stond ooit een kasteel, maar door bombardementen tijdens de laatste wereldoorlog rest nu nog slechts een ruïne. Herbouw behoort niet tot de financiële mogelijkheden. De baron woont thans in een bescheiden, maar stijlvol huis met uitzicht op de Maas. Hij combineert het beheer over zijn eigen landgoed met een praktijk als rentmeester en heeft in die hoedanigheid zo'n 60 andere landgoederen onder zijn beheer. Hij ontvangt in zijn kantoor, een klein losstaand pandje aan het eind van de oprijlaan. De Weichs de Wenne rekent voor: “Als ik niet onder de Natuurschoon Wet viel, zou ik jaarlijks een ton moeten betalen aan vermogensbelasting. De huidige pachtopbrengst is 450 gulden per hectare. 225 gulden hiervan gaat naar de inkomstenbelasting. Als ik per hectare ook nog eens 150 gulden aan vermogensbelasting zou moeten betalen, wat houd ik dan nog over?”

De baron is blij dat hij de camping en de golfcourse heeft aangelegd in een tijd, dat dat nog kon. “Nu loopt de landgoedeigenaar grotendeels aan de leiband van de overheid. Als dank voor je mooie land en alle zweet die je hebt geïnvesteerd, moet je precies doen wat de overheid zegt. En dat is meestal dat alles moet blijven zoals het is.”

Het beeld van de schatrijke grootgrondbezitter die alles kan betalen is onjuist. Op enkele uitzonderingen na beschikken landgoedeigenaren nauwelijks over liquide geld. Hun kapitaal is dood, want verkoop van de grond is onbespreekbaar.

F. van der Kooy, rentmeester in Ellecom, adviseert landgoedeigenaren hoe ze hun dode kapitaal zo goed mogelijk kunnen laten renderen. In een tijd van teruglopende inkomsten uit hout, pacht en subsidies en stijgende overheidsbemoeienis valt dat niet mee. Van der Kooy schat dat slechts 20 procent van de landgoederen naar potentie wordt geëxploiteerd. Hij hamert op de 'marketing van de zeldzaamheid'. Van der Kooy: “Landgoederen vormen een unieke woonomgeving voor oude, rijke mensen. De huuropbrengsten van appartementen in kastelen of verbouwde opstallen zijn enorm. Maar ook het bedrijfsleven raakt steeds meer geïnteresseerd in locaties met standing. De eigenaren moeten deze mogelijkheden benutten en inspelen op de vraag van de markt. De samenleving ontwikkelt toch naar een tweedeling tussen de have's en have-nots. Zorg dan dat de have's goed terecht kunnen.”

Van der Kooy heeft het afgelopen jaar tweeëntwintig arrivées, waaronder een generaal en diverse industriëlen, aan een rustieke en exclusieve woonomgeving geholpen tegen huurprijzen tussen de 1300 en 4000 gulden per maand. De rentmeester is zich ervan bewust dat dit commerciële denken haaks staat op de traditionele houding van de grondbezitter van wie de ouders nog erwtensoep stonden te scheppen voor de pachters. Toch meent hij dat de landgoederen als ze willen overleven niet om de commercie heen kunnen. Hij vestigt zijn hoop vooral op de jonge generatie van aankomende landgoedeigenaren.

Het vraagstuk van de erfopvolging is vaak een gevoelige snaar. Wie prefereert vandaag de dag, zoals jonkheer Repelaar, het beheer van een landgoed boven een maatschappelijke carrière? De meeste landgoedeigenaren handelen als De Weichs de Wenne: ze brengen hun bezit onder in een BV en verspreiden de aandelen over de familie, zodat in elk geval opsplitsing wordt voorkomen. Repelaar overweegt dit ook. Zo blijft het behoud van het landgoed gewaarborgd. Maar de traditionele, professionele grondbezitter dreigt te worden bijgezet in het museum van de verdwenen beroepen.

    • Micha Kat