Bereidheid tot inschikken is verdwenen

De verzorgingsstaat is op gespannen voet geraakt met de democratie. Nadat de verzorgingsstaat jarenlang is beoordeeld als de belangrijkste verdedigingslinie tegen ongewenste sociale omwentelingen, moet die conclusie nu worden getrokken.

In het midden van de jaren veertig, aan de vooravond van de Koude Oorlog, gold het communisme nog in de eerste plaats als een binnenlands gevaar. Het dreigde zich immers ook buiten de onmiddellijke actieradius van het Rode Leger te vestigen. De ontwrichting in de landen van West-Europa door nazisme, bezetting en oorlog deed niet onder voor die in het Oosten van het continent. Een Rusland-kenner als George F. Kennan beschreef het noodzakelijk geachte containment van de Sovjet-Unie dan ook eerder in sociale en diplomatieke dan in militaire termen. De verzorgingsstaat is wel gekarakteriseerd als een door de maatschappijkritiek niet voorzien produkt van het aanpassingsvermogen van het kapitalisme. Maar helemaal spontaan heeft die aanpassing zich toch ook weer niet voltrokken.

Het woord verzorgingsstaat verbindt verschillende zo niet tegengestelde begrippen met elkaar. De Europese staat is in eerste aanleg niet ontstaan om zijn burgers te verzorgen, en hij heeft er aanvankelijk vooral gebruik van gemaakt. De eerste moderne staat op het Europese continent, de Franse republiek, mag dan wel zijn voortgekomen uit de behoefte de openbare zaak te behartigen en mag dan wel de citoyen en citoyenne hebben voortgebracht, maar, na de aristocratie onder de guillotine te hebben gelegd, deed die staat met zijn levée en masse toch vooral een beroep niet zozeer op de civiele als wel op de militaire vermogens van zijn burgers. De res publica bleek tot ver voorbij de landsgrenzen te reiken. De nu in Nederland opgeschorte dienstplicht herinnert aan dat appel om zonodig voor het vaderland te sterven.

Het is misschien niet toevallig dat het vastlopen van het mechaniek van de verzorgingsstaat in Nederland samenvalt met de opschorting van de dienstplicht. Waar rechten ter discussie komen te staan, kunnen plichten niet ongenoemd blijven. In de langzamerhand geldig geworden opvatting kan kennelijk van de burger alleen nog het laatste offer worden verlangd als het land, ofwel de samenleving daarin, rechtstreeks met de ondergang wordt bedreigd. (In de jaren veertig en zestig waren koloniale perikelen daartoe nog voldoende.) Militaire operaties in dienst van de vrede kunnen volgens die zienswijze slechts met behulp van vrijwilligers worden uitgevoerd. Nuttige professionalisering van de militaire bedrijvigheid is daarvan een gevolg, maar de strijdkrachten verliezen hun functie als bindmiddel tussen burger en staat. Overigens was die functie met het verdwijnen van de strijdkrachten uit het Nederlandse straatbeeld al jaren geleden sterk verminderd.

De vestiging van de moderne rechtsstaat, gewaarborgd door onafhankelijkheid van de rechtspraak, vrijheid van meningsuiting en algemeen kiesrecht, is voorafgegaan aan de inrichting van de verzorgingsstaat. De laatste was het logische gevolg van de eerste. Teneinde de rechtsstaat te voltooien diende de formele gelijkheid voor de wet te worden aangevuld met het beginsel van gelijke kansen en met een aanvaardbare opvang van hen die daarvan onvoldoende gebruik konden maken. Een zich dynamisch uitbreidend stelsel van verzekeringen was het gevolg, al was het maar omdat het begrip aanvaardbaar een sterk expansief karakter bleek te vertonen. Helaas is de cirkel rond nu de zwakken in de samenleving, de kansarmen weer gewoon als armen of als onderklasse worden aangeduid. Waarmee men vermoedelijk wil aantonen dat de verzorgingsstaat zijn raison d'être verloochent: het uitbannen van armoede.

De recente gemeenteraadsverkiezingen vormden als het ware een bevestiging van dat vermoeden. De zogenoemde nieuwe onderklasse liet het politieke midden, het anker van de verzorgingsstaat, los om zich over te leveren aan de toverspreuken van de politieke wonderdokters. Kiezers in de tweede en de derde schijf van de inkomstenbelasting wendden zich tot de liberale partijen om aan te geven dat hun 'sterke schouders' overbelast raakten. Kortom, de kiezer heeft de verzorgingsstaat met een harde klap ter discussie gesteld. Als straks in mei de Kamerverkiezingen een vergelijkbare uitslag tonen, staat de vaderlandse politiek voor een niet te veronachtzamen uitroepteken. Intussen putten de politici zich uit in schuldbekentenissen en bijstellingen van wat zij eerder te berde hebben gebracht. Hun geloofwaardigheid neemt zienderogen af. Wat de malaise nog vergroot.

Nederland heeft zich in de afgelopen decennia ontwikkeld tot een machinerie voor het omslaan van geld, ook wel het omslagstelsel genoemd. Jongeren betalen voor ouderen, werkenden voor niet-werkenden, gezonden voor zieken en gehandicapten. Begrippen als waardevast en welvaartsvast deden hun intrede, waarmee gezegd wilde zijn dat achterstanden van bepaalde groepen niet langer konden worden getolereerd. Verbetering op één punt leidde automatisch tot verbetering over de hele linie; de noodzakelijke bezuinigingen blijken minder eenvoudig progressief te verdelen. Het systeem werkte naar genoegen zolang er een zeker evenwicht bestond tussen inkomsten en uitgaven. Maar demografische, technologische en ethische veranderingen in de samenleving hebben dat evenwicht op scherp gezet. De bereidheid tot inschikken is èn aan de vraagzijde èn aan de aanbodzijde nagenoeg nihil geworden.

Op het moment van zijn grote nood blijkt de staat in zijn verschijning van verzorgingsstaat iets te hebben verloren dat, pragmatisch dan wel metafysisch geformuleerd, zijn bestaansrecht typeerde. In het verleden kon dat worden aangeduid als burgerzin, de erkenning dat de menselijke samenleving afhankelijk was geworden van de bereidheid van het individu om naar vermogen verantwoordelijkheid te dragen. Zonder morren belasting betalen, voor de kinderen de leerplicht aanvaarden, zorgen voor het eigen kroost, dat hoorde er zo bij. In de opbouw van de verzorgingsstaat is dat burgerlijke begrip geleidelijk aan vervangen door het abstracte 'solidariteit'. Maar daar blijkt de rek nu uit te zijn. En er is zo gauw geen vervanging te bedenken.

    • J.H. Sampiemon