Ambtenaren

AAN HET BEGIN van zijn premierschap heeft Lubbers een majeure beleidsdaad gesteld. Zijn kabinet besloot tot een salariskorting van drie procent op het gehele overheidspersoneel. Het ambtenarenvolk liep te hoop, met blusschuim op het Binnenhof en agenten op de rand van burgerlijke ongehoorzaamheid, maar het lukte. Dat was in 1983.

Deze ingreep werkt een decennium later nog door en onderscheidt Nederlandse statistieken van die in omringende OESO-landen. Op zichzelf was het een logische uitkomst van twee andere ontwikkelingen: de revolutionaire explosie van het overheidsapparaat begin jaren zeventig en de economische recessie aan het eind van dat decennium, die de betaalbaarheid van het zojuist opgebouwde apparaat meteen weer had ondermijnd.

Inmiddels is Nederland echter elf jaar verder. En wat laten de partijprogramma's zien? Juist, een bevriezing van de uitgaven voor overheidspersoneel. Datzelfde personeel is in rekenkundige en daarmee in politieke zin nog altijd gekoppeld aan uitkeringstrekkers.

DE BEVRIEZING IS wederom waarschijnlijk onvermijdelijk, maar het is tegelijkertijd een kwalijke zaak en op deze manier ook onverantwoord. Elf jaar geleden was de drie-procentsoperatie een niet onredelijke noodgreep geweest. Noodgrepen horen nu eenmaal tot het instrumentarium van een rijdende trein die in de gevarenzone terechtkomt. Alleen mag het daar nooit bij blijven. De volgende stap had moeten zijn een sanering van het apparaat onder het motto: wat is overbodig, wat is nodig, wat is staatstaak, wat moeten particulieren zelf doen?

Vervolgens wordt dan een overheidsapparaat gesaneerd. Zij die vertrekken moeten elders aan de slag en zij die blijven, moeten in het vernieuwde apparaat met fris elan verder. Daarbij hoort een adequate salariëring, die zich kan meten met datgene wat elders wordt betaald. Deze sanering is in feite in de zeven vette jaren achterwege gebleven. Natuurlijk, er is veel gesproken over efficiency, deregulering en wat dies meer zij en op enkele departementen wordt ook het nodige tot stand gebracht. Maar over het geheel genomen is er van de sanering weinig terecht gekomen.

Over de schuldvraag valt te twisten. De machtige AbvaKabo heeft als belangenbehartiger van de leden stellig een rol gespeeld, maar de meeste politieke partijen net zo. VVD, CDA en PvdA waren er alledrie bij het laatste decennium en zij alle hebben nogal wat overheidsdienaren in hun actieve gelederen. Veel sterker waarschijnlijk is de invloed van het bestuurlijke middenveld geweest dat weliswaar gevoelig is voor moderne logo's en eigentijdse titulatuur, maar intussen soms posities heeft versterkt. Een piepklein voorbeeldje: tien jaar geleden lobbyden gemeenten in Den Haag via de aloude VNG. Inmiddels doen de provincies dat gewoon ook nog eens een keer en ze hebben er ook een eigen kantoor inclusief personeel van overheidswege voor ingehuurd.

NU DE MAGERE JAREN wederom zijn gearriveerd, grijpen de partijen andermaal naar de bevriezing. Maar telkens weer korten en bevriezen zonder de politieke mogelijkheid om te saneren, roept het gevaar op van uitholling en verloedering van een organisatie. Onredelijk is het derhalve niet van de politieke partijen om na een decennium iets meer te verlangen dan de suggestie van een nieuwe bevriezingsronde. Onredelijk is het hooguit om dat vóór de verkiezingen te verlangen, want er zijn honderdduizenden ambtenaren in dit land en voordat je het weet, hangt een politicus op het marktplein in de schandpaal wegens presentatiefouten. Ook onder het overheidsapparaat heeft menige partij een stevige portie electoraat dat boos kan worden. Dan maar liever de onbeweeglijkheid gekozen, die zich tooit met de naam Bevriezing.