Voor tbs-veroordeelde al jaar geen plaats in kliniek

Een man die wegens een poging tot doodslag ter beschikking is gesteld wacht in Utrecht al bijna een jaar op overplaatsing naar een kliniek. Zijn advocaat eist nu in kort geding onmiddellijke overplaatsing - of vrijlating. Een praktijkgeval van een wachtlijst.

UTRECHT, 16 MAART. F., een forse man van 55, zit al sinds oktober 1992 in het huis van bewaring in Utrecht, wegens een poging tot doodslag en ernstige mishandeling. Tien maanden geleden veroordeelde de Utrechtse rechtbank hem tot terbeschikkingstelling (tbs) met dwangverpleging. Hij werd als volledig ontoerekeningsvatbaar beschouwd. Sindsdien wacht hij in het huis van bewaring op een plaats in een inrichting.

Een wachttijd van tien maanden is “ontoelaatbaar lang”, zegt dr. B. Raes, geneesheer-directeur van het dr. F.S. Meijers-instituut in Utrecht, dat het ministerie van justitie adviseert over de behandeling van tbs-patiënten. Hij vindt de situatie van F. 'dieptreurig' omdat de man “detentie-ongeschikt” is.

Begin deze week heeft F.'s advocaat, mr. L.F. van der Sman, directe opname in een tbs-inrichting geëist, en anders de onmiddellijke vrijlating van zijn cliënt.

Justitie heeft 560 plaatsen beschikbaar voor tot tbs veroordeelden. Op dit moment wachten 70 tbs'ers op een opname in een kliniek. “Dit is een heel ernstig probleem”, zegt mr. G.J.J. Broeksteeg van de afdeling tbs-zaken van het ministerie, “De therapeutische omgeving voor deze mensen ontbreekt. Maar er is een tekort aan plaatsen. We proberen met man en macht de opvangcapaciteit uit te breiden. Wat kunnen we in godsnaam nog meer doen? We zitten met onze handen omhoog.” Vorig jaar kwam het zeven keer voor dat advocaten opname probeerden af te dwingen door middel van een kort geding.

In het kort geding dat Van der Sman wegens de lange wachttijd aanspande tegen de staat, voerde de landsadvocaat mr. C.M.Bitter aan dat de tbs-klinieken overvol zitten. “En tot nu toe heeft het verblijf van F. in het huis van bewaring geen problemen opgeleverd.” Maar volgens Van der Sman wordt F. in het huis van bewaring “steeds zieker”.

Het ministerie van justitie probeert nu in overleg met de Willem Arntz-stichting in Den Dolder F. zo snel mogelijk in een kliniek onder te brengen. Het ministerie wacht de uitspraak van de rechter liever niet af.

F. is zwakbegaafd. Volgens onderzoekers van het Pieter Baan Centrum in Utrecht, de Psychiatrische Observatiekliniek van het Gevangeniswezen, heeft F. waarschijnlijk al bij zijn geboorte een hersenbeschadiging opgelopen. Hij leerde pas lezen en schrijven toen hij elf was. Maar hij was altijd handig en sterk. Jarenlang werkte hij als machinebankwerker bij de Rijksmunt in Utrecht. In 1973 werd hij afgekeurd. Door toenemende agressieaanvallen was hij 'niet meer te handhaven', aldus het rapport.

Hij lijdt aan 'ernstige persoonlijkheidsstoornissen' en krijgt psychotische aanvallen als hij in paniek raakt. Aan een verkeersongeluk, acht jaar geleden, heeft hij mogelijk ook hersenletsel overgehouden. Door de medicijnen die hij gebruikt tegen agressie, psychotisch gedrag, epilepsie en hoge bloeddruk beweegt de forse man zich traag. Zijn gezicht is opgeblazen. Hij praat luid en monotoon over zijn belevenissen in het huis van bewaring, de armen op zijn geruite hemd. Zijn ogen staan wijd open, voortdurend gericht op de bezoeker.

“Ik heb niks ergs gedaan”, zegt hij, “mijn buurvrouw heeft me uitgedaagd. Ze pestte me. Toen heb ik haar deur ingetrapt en haar bij de armen gepakt. Ik heb gezegd: 'als je niet ophoudt, geef ik je een kusje'.” Maar getuigen vertelden destijds een ander verhaal: F. had zijn buurvrouw bijna gewurgd. De rechtbank achtte poging tot doodslag bewezen, maar legde wegens ontoerekeningsvatbaarheid geen gevangenisstraf op.

De bewaarders en de gedetineerden zijn aardig voor hem, zegt hij. Ze nemen hem mee om te gaan wandelen. Ze doen spelletjes met hem. “Ik ben niet gevangen, zeggen ze hier. Want ik heb geen straf. Maar ik zit wel vast. Ik kan geen kant op.”

F. begrijpt niet waarom hij in het huis van bewaring moet blijven: “Ik wil gewoon naar huis. Ik wil vrij zijn. De stad in, naar de HEMA om te eten. Ik wil naar Lisse om de bloemen te zien. Ik moet nieuwe planten kopen voor m'n huis.”

F. zegt dat hij wel vaker 'rare geintjes' heeft uitgehaald. Zoals enige jaren geleden in de supermarkt. Hij kreeg daar ruzie met andere klanten. “Toen heb ik geroepen: 'God zij met ons', 'God zij met ons', net als op de gulden staat. De wijkagent heeft me neergeslagen. Op het politiebureau heb ik me helemaal uitgekleed en gezegd: 'Ik ben God, ik ben Jezus Christus'. Ja, af en toe ben ik gewoon de kluts kwijt.”

F. weet dat hij wel vaker agressief is geweest en hij kan zich voorstellen dat mensen daar bang voor zijn. “Dat was ook wel de bedoeling”, zegt hij, en moet daar zelf een beetje om lachen. Dan ineens ernstig: “Ik wil niemand doodmaken. Maar je moet je toch verdedigen? Ik ben zelf ook vaak bang.”

De onderzoekers van het Pieter Baan Centrum schrijven in hun rapport dat F. zijn medemens bedreigt omdat hij zichzelf bedreigd voelt door de boze buitenwereld. Door zijn hersenbeschadiging kan hij dit niet corrigeren, aldus het rapport. Vooral op bepaalde 'stress-volle momenten' gaat het mis.

“Daarom is dit een hele slechte omgeving voor F.”, zegt een maatschappelijk werker in het huis van bewaring, “Het is te prikkelend, te onrustig. Iedereen komt elkaar hier voortdurend tegen.”

“Ze bemoeien zich hier allemaal met me”, zegt F. Alleen in zijn eigen huis voelt hij zich veilig. “Als ik weer thuis ben, ga ik me goed gedragen. Een nieuw pak kopen. Ik ga nooit meer agressief zijn, want anders kom ik hier weer. Zolang ik m'n medicijnen heb, is er niks aan de hand.” Als het echt niet anders kan, wil hij ook wel naar een kliniek, waar het “vast beter is dan hier”. In het huis van bewaring ligt F. de hele dag op bed. “Als ik nog langer hier moet blijven, maak ik mezelf kapot. Zelfmoord.”