Subtiele verschillen

Ik hield van Hugo en ik hield van Dirk en ik was gelukkig. Waarom zou dat niet kunnen? De een leuk, slim en tamelijk gek, de ander een aardig, verstandig bestrijder van de prietpraat der heersers. Dat hebben wij vrouwen nu: we zijn flexibel, in ons verenigen zich tegendelen.

Maar toen kwam de gewichtige R., wiens praatjes altijd naar de laatste mode gekleed gaan zodat je telkens pas op het nippertje merkt dat het praatjes zijn. Maar Dirk merkte het natuurlijk meteen en ging dus tegen hem in. En toen was Hugo ineens boos want hij had het deze keer niet gemerkt en ging in een heel dom stuk Dirk uitschelden voor alles wat vies en voos is. En nu zal ik het allemaal uitleggen, maar of het ooit nog goed komt weet ik niet.

De ruzie gaat over kunst. De gewichtige R. is directeur van het Stedelijk Museum in Amsterdam, en dat heeft een kunstwerk besteld van een beroemde kunstenaar, Donald Judd. Het ziet er uit als een kolossale stapel platte dozen in vier kleuren. Toen die aankoop bekend werd was er iemand in Rotterdam die zei: wat raar eigenlijk, want ons museum in Rotterdam had al een Judd die erg veel lijkt op die nieuwe van R., het enige verschil zijn de kleuren. Die Judds zijn ongelofelijk duur, hadden ze voor dat geld in Amsterdam niet iets kunnen kopen waarvan nog geen voorbeeld op een uurtje rijden afstand te vinden is?

R., een soort Jan des Bouvrie van de museumwereld, verdedigde zich in het openbaar. Ach dames en heren, zei hij, wat is dit nu toch jammer. De mensen hebben geen oog meer voor de subtiliteiten waar wij, als kenners, juist zo aan hechten. De fijnzinnige verschillen tussen twee portretten van Frans Hals, u weet wel, die begrijpen ze misschien nog, maar die tussen twee werken van een kunstenaar als Judd, die ontgaan ze. Alles is vandaag de dag ook zo grofstoffelijk, parbleu, weldra zal niemand meer oog hebben voor de ware hoogtepunten van de kunst.

Mijn vriend Dirk, die wel eens over kunst schrijft, was niet geïmponeerd. Ik ook niet, het was geblaas, maar ik las er een beetje overheen. Dirk ging ervoor zitten en legde uit waar het volgens hem in zat. Je kunt namelijk een portret van Frans Hals niet op dezelfde manier bekijken als een object van Donald Judd. Het één is gemaakt, het ander bedacht. Bij Hals speelt het handschrift een rol, niemand kan schilderen zoals Hals, daar is hij een schilder voor. Bij Judd ging het niet om het maken maar om het idee: als hij het idee maar netjes genoeg noteerde kon iedereen het uitvoeren.

Je hebt kunst-kunst en ideeënkunst (ook wel conceptuele kunst genoemd). Bij de eerste is het interessanter om elk voorbeeld opnieuw te bestuderen dan bij de tweede, dat bedoelde Dirk. Daarbij liet hij merken zelf veel meer van kunst-kunst te houden, en dat was misschien verkeerd. Maar ja, hij is zelf ook schilder, en iedereen mag toch zeggen waar hij van houdt?

De kunst-kunst van Hals en de ideeënkunst van Judd verhouden zich tot elkaar zoals een mooi geschreven verhaal zich verhoudt tot een fraai staaltje Opperlands. Opperlands is goed gevonden, onderhoudend, wat al niet. Je kunt genieten van de subtiele verschillen tussen twee stukjes Opperlands, jazeker. Maar het blijft Opperlands. Nooit wordt het een mooi verhaal, en er zijn maar twee of drie mensen in Nederland gek genoeg om zich er tot tranen toe door te laten ontroeren. Kunst, mevrouw, dat heeft met ontroering te maken.

Waarom was Hugo, die haast nooit over kunst schrijft, toch zo kwaad? Ik heb geen antwoord. Dat Opperlands iets anders is dan een mooi verhaal weet niemand beter dan hij. Zijn boosheid is van prehistorische afmetingen, zij hoort bij een tijd waarin de moderne kunst werd verguisd en iedereen meteen met het vakmanschap van Hals kwam aandraven als er een abstract lijntje op het doek werd gezet.

Maar zo is het al in geen veertig, vijftig, zestig jaren meer. Zelfs de al bijna vergeten kunstcriticus J.M. Prange, die een generatie geleden in Het Parool week in, week uit bleef schrijven dat Picasso en zijn kornuiten oplichters waren, was een roepende in de woestijn. Iedereen lachte om hem. Iedereen had toen al o, zo goed geleerd dat je in beschaafd gezelschap alles mag zeggen maar één ding niet: dat je niets ziet in Picasso.

Ik houd niet zo van Picasso. Dirk is het vermoedelijk niet met mij eens - maar Hugo denkt geloof ik dat ik het beter niet hardop kan zeggen omdat het de machten van de duisternis in de kaart speelt.

Hij vergeet dat in de hedendaagse kunst de omgekeerde wereld heerst. Sinds Picasso zijn degenen die wel eens iets niet mooi vinden de verdrukten. Zij die durven te zeggen dat Josef Beuys een charlatan was en dat het werk van Donald Judd zijn beperkingen heeft. Hugo, wiens razernij wel eens wat fel kan uitvallen (maar de intentie van die razernij was toch altijd tegen de verdrukking) vergist zich. De gewichtige R., met al zijn praatjes, die redt zich heel goed zonder hem. Er moeten meer narren komen om de spot met hem te drijven.

Moeilijk is dat niet. Neem alleen maar de naam van de nieuwste tentoonstelling van R. in het Stedelijk, daarmee is eigenlijk alles al gezegd. Couplet 1, zet iemand die een tentoonstelling zo noemt zichzelf niet al geheel in zijn modieuze nieuwe hemdje? Iemand die te bang is om te zeggen 'Eerste couplet' en te bekakt om een begrijpelijke titel te bedenken als 'Zes jonge kunstenaars' of 'De nieuwe expressie' of desnoods 'Rudi's schatten'?

De wegen van de liefde zijn wonderlijk. Ik houd nog steeds van allebei, van Dirk en van Hugo. De een heb ik nooit gezien en de ander zie ik nooit. De liefde mevrouw, zij is heel wat boeiender dan het verstand. Maar om nu meteen de onzin te omhelzen, dat gaat te ver.