Natuur is minder kwetsbaar dan gedacht

De slechte kwaliteit van het milieu wordt vaak aangewezen als de oorzaak van de achteruitgang van de natuur in Nederland. Milieuonderzoeker Tom Bade vindt dat de natuurbescherming die ontwikkeling zelf in de hand heeft gewerkt met een verkeerde strategie. Deze week debatteert de Tweede Kamer over natuur en milieu.

De kwaliteit van het milieu is onvoldoende en het milieubeleid faalt. Tot die conclusie komen zowel het ministerie van Landbouw, Natuurbehoud en Visserij als het RIVM. Eerstgenoemde zet in het rapport 'Toestand van de natuur 2' op heldere wijze uiteen dat een groot aantal levensgemeenschappen en afzonderlijke planten en dieren zwaar te lijden hebben van verzuring, verdroging, vermesting en versnippering. Wat dat betreft sluit het goed aan bij de milieuverkenningen van het RIVM. Toch is de achteruitgang van de Nederlandse natuur slechts gedeeltelijk te verklaren aan de hand van de slechte milieukwaliteit.

Voor een groot deel is die achteruitgang het gevolg van een verkeerde strategie van de natuurbescherming. Die richtte zich van oudsher al op instandhouding van de natuurlijke waarden van traditionele agrarische landschappen. Gezien de steeds verdergaande modernisering is een dergelijke benadering achterhaald. Van een bedrijfstak die bij de voedselproduktie steeds bedrijfsmatiger moet werken, kan niet worden verwacht dat hij ook gericht ruimte biedt aan planten- en dieren. Dat heeft de agrarische sector vroeger ook nooit gedaan. Dat zich bepaalde planten en dieren konden vinden in het agrarisch landschap was toeval en niet meer dan een onbedoeld bijprodukt.

Dit probleem doet zich voor bij het onderzoeken van de milieukwaliteit aan de hand van de natuurlijke indicatoren zoals in het rapport wordt gedaan. De aantasting of vernietiging van bepaalde planten- en diersoorten of zelfs hele levensgemeenschappen hangt immers nauw samen met de vraag welke natuur men als uitgangspunt hanteert. En dat is precies mijn punt van kritiek op het rapport.

Al sinds het prille begin is het beleid van de natuurbescherming gericht op het behoud van traditionele agrarische landschappen, zoals heidevelden, veenweidegebieden, schraalsgraslanden en de daarbij behorende planten en dieren. Dit in de overtuiging dat daarmee de natuur een dienst wordt bewezen. Ook nu wordt de achteruitgang van de natuur zo afgemeten: bijvoorbeeld de geconstateerde achteruitgang van het blauwgrasland of de associatie van dopheide. Deze 'ecosystemen' hebben echter vooral met agrarisch gebruik te maken van honderd jaar geleden. Anno 1994 geldt dat niet meer. Het verdwijnen van deze natuur heeft dan ook alles te maken met veranderingen die in de maatschappij en in de landbouw. Het is als het ware de 'verkeerde natuur', of eigenlijk was er op deze terreinen hooguit sprake van ecologisch medegebruik van het agrarisch landschap door een aantal planten en dieren. En dat vooral bij gebrek aan oorspronkelijk leefgebied.

Het ligt voor de hand dat deze 'natuur' in Nederland niet meer te handhaven is. Voor een belangrijk deel omdat inderdaad de voedselarme omstandigheden zijn verdwenen die bij ons totaal uitgemergelde landschap van 100 jaar geleden behoorden (Nederland was toen ook een ecologisch rampgebied). Maar deels is de achteruitgang te verklaren omdat veel van de gehanteerde voorbeelden weinig of niets met natuur te maken hebben.

Het rapport gaat vooral uit van de aanwezigheid van planten- en diersoorten. Centraal staat het begrip 'biodiversiteit', in aansluiting op de UNCED conferentie van Rio de Janeiro. Het aantal soorten geldt derhalve als graadmeter. Soms wordt een bepaalde soort als een indicator gehanteerd voor de kwaliteit van de natuur. Een bekend voorbeeld is de grutto. Deze soort fungeert vooral als een indicator van een door de mens gecreëerd landschap (weiden), waar die vogel toevallig zijn laatste toevlucht vond. Soms lijkt het alsof de grutto pas in de zeventiende eeuw is ontstaan toen wij onze polders gingen droogmalen. Maar voordat wij delen van ons land inpolderden en bossen vernietigden, zal de grutto of het korhoen ook wel ergens heben bestaan.

Maar voor de grutto is er nog hoop. Mede dankzij de Nederlandse inspanningen worden in Polen tienduizenden hectaren waardevol schraal grasland geschikt gemaakt voor de landbouw. En zie, daar verschijnen opeens de grutto, de kievit en zelfs de scholekster. Uit dit Poolse voorbeeld blijkt overigens dat het misplaatst is om de grutto te beschouwen als indicator voor een waardevolle natuur en een goede milieukwaliteit. In Polen is eerder het omgekeerde het geval.

Wat we nodig hebben is een nieuwe kijk op natuurlijke systemen. Het is beter de natuur te beschouwen als een geheel van op elkaar inwerkende processen. Bij het herstel van de natuur moeten dan ook naast a-biotische processen zoals de werking van wind en water ook biotische processen zoals begrazing, predatie en dergelijke centraal staan. Veel natuurgebieden in ons land vertonen echter nogal wat lacunes wanneer het gaat om natuurlijke processen. Begrazing wordt dan wel wat vaker toegepast, maar predatie door grote roofdieren of de werking van rivierdynamiek is nog nauwelijks aan de orde.

Toch komt men ook in 'Toestand van de natuur 2' onbedoeld tot een dergelijke invalshoek. De genoemde verbeteringen worden waargenomen in grootschalige natuurgebieden met zo min mogelijk menselijk ingrijpen. Tot slot wordt dan ook geconstateerd dat de beste mogelijkheden voor de natuur bestaan in de grotere, natuurlijke gebieden met een geringe mate van menselijk ingrijpen. Het blijkt bovendien dat dergelijke robuuste ecosystemen minder gevoelig zijn voor de negatieve invloed van verzuring en vermesting. Impliciet wordt aangegeven dat sommige van de oorzaken niet de milieu-omstandigheden zijn, maar dat ook een achterhaalde op op verweving van landbouw en natuur gerichte strategie meespeelt.

Een strategie gericht op grote aaneengesloten natuurgebieden op basis van herstel van natuurlijke processen en (dus) met weinig of geen menselijk ingrijpen leidt bovendien tot een verrassende soortenrijkdom. Er doen zich zelfs gevallen voor van de terugkeer van planten en dieren waarvan niemand had verwacht dat zij onder dergelijke omstandigheden konden voorkomen. Zo zijn de Millingerwaard (waar niets doen het motto is) zeldzame planten en diersoorten na een afwezigheid van soms 20 jaar weer teruggekeerd in Nederland. Bij de Grensmaas ontstaat bij 'niets doen' op blootgelegde grindvlaktes spontaan heide en leeft hier de levendbarende hagedis.

Natuurbeleid op afstand is niet eenvoudig, want de Nederlandse natuur bestaat altijd uit twee aanvullende componenten. De eerste is de bepaling van het eindbeeld. Zelfs wanneer men zegt te streven naar grootschalige natuurgebieden met een zo gering mogelijk menselijk ingrijpen blijkt dat vooral de deskundigen moeite hebben met spontane, niet door de mens gestuurde processen, waarvan het eindresultaat onbekend is. Zelfs wanneer de keuze is gemaakt doen zich nog problemen voor. Wanneer zeldzame soorten worden ontdekt is men al gauw geneigd alsnog in te grijpen om deze met kunst en vliegwerk te behouden.

De achteruitgang van de natuur heeft in de afgelopen eeuw geleid tot een denkwijze die vooral gericht is op die onderdelen waar het niet goed gaat. Het toenemend aantal duikeenden en andere watervogels als aalscholver en fuut is toegenomen (Oosterscheldebekken). Vervolgens wordt geconstateerd: 'Grote zoete wateren zijn er al veel in Nederland en uitbreiding daarvan was daarom voor deze vogels niet noodzakelijk'. Met andere woorden: futen en aalscholvers zijn niet interessant, er moeten andere vogels worden verbouwd. Wat niet zeldzaam is, is niet interssant. Dat de aalscholver omstreeks de eeuwwisseling nagenoeg was uitgestorven, zijn we kennelijk vergeten. Vogelbescherming luidde laatste nog de alarmklok in verband met de langer wordende Rode Lijst van bedreigde vogelsoorten. En dat terwijl de laatste decennia nog nooit zo veel vogelsoorten in Nederland hebben geleefd met nieuwe soorten als slechtvalk, buidelmees, oehoe en dergelijke. Maar nieuwe soorten worden niet meegerekend en dus wordt het beeld onnodig negatief.

De natuur is vaak veel minder kwetsbaar dan men denkt. Soms blijkt dat op plaatsen waar de verontreiniging aanzienlijk is, toch belangrijke natuurwaarden kunnen bestaan. Op de zwaar verontreinigde lokatie van Neproma in Arnhem bleek zich reeds een interessant muurflora te hebben ontwikkeld. Op overbemeste terreinen in de Millingerwaard bleek dat, nadat deze aan hun lot werden overgelaten, zich binnen één jaar tijd 350 planten soorten hadden gevestigd, alsmede veel insekten, amfibieën en zangvogels.

Ook schrijft men de achteruitgang van soorten ten onrechte vaak toe aan de milieukwaliteit. Dat gebeurde na de hoge sterfte van de in de Biesbosch teruggebrachte bevers. Te snel werd geconcludeerd dat dit het gevolg was van de verontreiniging van de bodem van de Biesbosch met cadmium. Dit metaal had zich opgeslagen in wilgen, die het voornaamste voedsel vormen voor de bevers. De belangrijkste oorzaak bleek echter de geleidelijk uitzetting van de dieren, waardoor steeds nieuwe territoriale twisten ontstonden.

Wanneer met kracht een beleid wordt ingezet gericht op grootschalige natuurgebieden op basis van zelfregulatie dan zal, wanneer over een aantal jaren een nieuwe 'Toestand van de natuur' wordt uitgebracht, blijken dat het toch al stukken beter gaat met de natuur. En dat terwijl misschien zelfs niet eens de doelstellingen van het milieubeleid worden gehaald. Hetgeen overigens nadrukkelijk geen argument is om het - toch al falende - milieubeleid af te zwakken.

Grote aaneengesloten natuurgebieden, en dan ook nog zonder menselijk ingrijpen. Het zal moeilijk zijn, maar eens zullen we leren dat we niet de natuur, maar vooral ons zelf moeten beheersen.

    • Tom Bade