'Moord Hebron gevolg van falen leger'

TEL AVIV, 16 MAART. Het Israelische leger heeft in ernstige mate gefaald bij de bescherming van de Palestijnen tegen de joodse kolonisten in de bezette gebieden. Het bloedbad dat de extremistische joodse kolonist dr Baruch Goldstein op 25 februari aanrichtte in een moskee in Hebron is “een niet uitsluitend op zichzelf staand voorval, maar eerder het gevolg van het falen” van het leger en het juridische systeem tegen zich aan Palestijnen vergrijpende kolonisten en van “een voortdurende anti-Palestijnse hetze”. Aldus B'tselem, het Israelische informatiecentrum voor mensenrechten in de bezette gebieden, in een 132 pagina's tellend rapport.

B'tselem heeft gisteren het rapport, getiteld 'Het opleggen van de wet aan Israelische burgers in de bezette gebieden', aan de commissie van onderzoek naar het bloedbad in Hebron overhandigd. Tijdens een persconferentie in Jeruzalem spraken vertegenwoordigers van B'tselem de hoop uit dat ook zij door deze commissie zullen worden gehoord.

“Het leger beschouwt in veel gevallen de kolonisten als bondgenoten, en de kolonisten in Hebron hebben een veiligheidsfunctie bij het controleren van de Palestijnse bevolking”, zo zei Eitan Felner, een van de onderzoekers van B'tselem, op de persconferentie. Uit tientallen getuigenverklaringen van voornamelijk door kolonisten getroffen Palestijnen, maar ook uit vraaggesprekken in de Israelische media met Israelische soldaten blijkt volgens hem dat “militairen samen met de kolonisten tegen de Palestijnen zijn opgetreden”.

Uitgaande van het principe dat de kolonisten in de bezette gebieden integraal deel uitmaken van de militaire veiligheidsdoctrine heeft het Israelische leger zogeheten 'ruimtelijke eenheden' in de bezette gebieden opgericht waarin kolonisten dienen. Uit het rapport blijkt dat de kolonisten op last van het leger pelotons van 10 tot 15 man hebben gevormd waarop de legerleiding in geval van veiligheidsproblemen - Palestijnse guerrilla-acties - een beroep kan doen voor het blokkeren van wegen en dergelijke.

Uit het lijvige rapport van B'tselem komt het beeld naar voren van de nauwe verstrengeling van het bezettingsleger met de kolonisten. Terwijl de kolonisten uit het oogpunt van het leger een militaire veiligheidsfunctie vervullen, hebben zij aan hun optreden in uniform en in burger een ideologische dimensie toegevoegd waarvoor het Israelische opperbevel, inclusief de opeenvolgende ministers van defensie, niet voldoende of geen oog willen hebben. De door het leger bewapende kolonisten hebben daardoor een door het leger getolereerde, onverantwoordelijk grote mate van vrijheid gekregen jegens de Palestijnse bevolking. In plaats van de Palestijnen te beschermen, zoals de vierde Geneefse conventie voorschrijft, heeft het bezettingsleger oogluikend illegale activiteiten, wraakacties en dergelijke, van de kolonisten tegen de Palestijnse bevolking toegestaan.

Pag.5: Kolonisten ondernemen met legerwapens acties tegen Palestijnen

Ter illustratie van de anarchie in de bezette gebieden als het gaat om de bescherming van de Palestijnen tegen de kolonisten heeft B'tselem een studie gemaakt van de omstandigheden van de dood van de 62 Palestijnen die van 1988 tot 1994 door Israelische burgers (kolonisten) in de bezette gebieden om het leven zijn gebracht. In slechts vier gevallen bevonden Israelische burgers die gebruik maakten van hun vuurwapens tegen de Palestijnen zich volgens de bevindingen van B'tselem in daadwerkelijk levensgevaar. In drie gevallen brachten zij zichzelf in levensgevaar. B'tselem zegt over zes gevallen onvoldoende gegevens te hebben om een oordeel te kunnen vellen.

De Israelische mensenrechtenorganisatie stelt op grond van getuigenverklaringen met stelligheid vast dat in 49 gevallen waarin Palestijnen werden doodgeschoten geen sprake van levensgevaar voor de schietende Israelische burgers was. Behalve op onnodig schieten op vluchtende Palestijnse stenengooiers, wordt er in het rapport van B'tselem de nadruk op gelegd dat de kolonisten met door het leger verstrekte wapens georganiseerde wraakacties ondernemen tegen Palestijnen. Dit, zoals het rapport zegt, om “hen te intimideren, af te schrikken en te straffen”. Het rapport stelt dat deze uitvoerig gedocumenteerde, vaak georganiseerde “criminele daden” ideologisch zijn gemotiveerd.

B'tselem beschuldigt het leger van langdurige onmacht om het geweld van de kolonisten tegen de Palestijnen te verhinderen. Na de moord op Erez Shmuel, een student van van een yeshiva (joodse religieuze opleiding) in Hebron op 28 mei 1993, voerden joodse kolonisten enkele dagen lang wraakacties in Hebron uit. Akram Hamudah Jabar (53) gaf B'tselem de volgende getuigenis van wat er op 30 mei gebeurde. “Ik zat op 12.30 uur in mijn huis, met mijn familie. Plotseling hoorde ik schieten en schreeuwen. Mensen buiten zeiden dat we naar buiten moest komen. Plotseling vloog een kogel door een raam in de deur van het huis. De kogel raakte de rechterhand van mijn vrouw Hanan (40). De kogel trof de muur. Tegen de twintig kolonisten kwamen en begonnen op de ramen van huizen te schieten. Jonge mensen uit de buurt kwamen en begonnen stenen naar de kolonisten te gooien. Een kwartier later arriveerden soldaten. De kolonisten bleven op de huizen schieten, zelfs in aanwezigheid van de soldaten. Een militaire ziekenauto kwam en nam mijn vrouw en kleine zoon van drieëneenhalf jaar, die een fragment van een kogel had gekregen, mee.”

Het B'tselem rapport bevat reeksen Palestijnse getuigenissen waaruit het op samenspel lijkende lakse optreden van het leger tegen kolonisten die zich aan Palestijnen vergrijpen, blijkt.

B'tselem doet naar aanleiding van de in het rapport neergelegde bevindingen een dringend beroep op het leger om aanvallen van Israelische burgers tegen Palestijnse burgers te voorkomen. Onmiddellijke intrekking van een militaire order die soldaten verbiedt op joden te schieten als die Palestijnen onder vuur nemen om te doden of ernstig lichamelijk letsel toe te brengen, is volgens deze Israelische mensenrechtenorganisatie in de allereerste plaats geboden.

Wegens het gevaar dat de kolonisten voor de Palestijnse bevolking vormen overweegt B'tselem voorts zich in het openbaar uit te spreken voor internationale bescherming voor de Palestijnen in de bezette gebieden. Dat is een van de - door de regering-Rabin krachtig afgewezen - eisen van de PLO voor de hervatting van het na de moordpartij in Hebron afgebroken vredesoverleg.

    • Salomon Bouman