Lelijke hypochonders

Vitangelo Moscarda staat voor zijn scheerspiegel. Nauwkeurig onderzoekt hij zijn gezicht, omdat een van zijn neusvleugels hinderlijk steekt. Zijn vrouw lacht om Moscarda's bezorgdheid en merkt weinig subtiel op: “Ik dacht dat je keek hoe scheef je neus stond.” Als hij verontwaardigd ontkent, somt ze nuchter al zijn andere lichamelijke tekortkomingen op. Zijn zelfbeeld stort in elkaar en langzaam wordt de zorgeloze Italiaan waanzinnig. “In mij zette zich het idee vast dat ik voor de anderen niet degene was die ik me tot nu verbeeld had te zijn.”

Je kunt de anti-held uit Luigi Pirandello's roman Iemand, niemand en honderdduizend een heetgebakerde ijdeltuit noemen, maar zijn tragische relaas is wel uit het leven gegrepen. “Iedereen die in de spiegel kijkt, denkt dat hij een objectieve verbeelding van zichzelf ziet”, weet psycholoog Iman Baardman uit ondervinding. “Dat is helemaal niet zo. Wat je ziet is een stemming, een heel subjectief beeld. Als je jezelf lelijk vindt, kan dat negatieve gevoel gemakkelijk in een dismorfofobie uitmonden, een soort hypochondrie. Vrouwen die daaraan lijden, verzorgen zich niet meer, want ze denken dat ze er dan nog lachwekkender uitzien. Make-up beschouwen ze als een vlag op een modderschuit. Ze isoleren zich en krijgen dus ook nooit meer een compliment. Hun ingebeelde lelijkheid wordt zo een selffullfilling prophecy, een obsessie.”

Gisteravond gaf Baardman een lezing over ingebeelde lelijkheid in de serie Wetenschappelijk Variété, georganiseerd door het Studium Generale van de Universiteit van Amsterdam. Hij constateerde verheugd dat geen van de aanwezigen leed aan een dismorfofobie, omdat ze anders wel thuis waren gebleven. Veel Nederlanders tobben echter met hun uiterlijk, meer dan tot nu toe werd aangenomen. Een op de vier scholieren is ontevreden over zijn verschijning of schaamt zich zelfs zo diep dat hij zich schoolziek meldt en niet meer naar excursies of feestjes durft. Laat staan naar het strand.

Zelf deed Baardman onderzoek naar het lichaamsbeeld van psychiatrische patiënten. Hij ontdekte dat een op de vijf neuroten in ons land zichzelf lelijk vindt. “Ze zoeken hulp omdat ze lijden aan pleinvrees of een dwangneurose en na verloop van tijd blijkt dat die klacht gepaard gaat met de overtuiging onaantrekkelijk te zijn. Ze denken bijvoorbeeld dat ze een misvormd achterhoofd hebben en camoufleren dat krampachtig, terwijl er niets aan mankeert.”

In onze lichaamscultuur is niets kwetsbaarder dan het uiterlijk. Het wordt dagelijks publiekelijk gekeurd en functioneert voortdurend als een soort katalysator van de geest. Als je met iemand praat, denk je tegelijkertijd: “Hij heeft een slecht gebit” of “wat jammer van die flaporen”. Onze schoonheidsnormen zijn hoog opgeschroefd. We stellen ons sjablonen ten voorbeeld, topmodellen als Cindy Crawford en David Bowles, die 24 uur per dag perfect zijn. Of een actrice als Michelle Pfeiffer, die weliswaar in elk vraaggesprek klaagt over haar soeplippen - waarmee ze in high school genadeloos gepest werd - en kromme neus, maar aan wier ethetische uitstraling toch niemand kan tippen.

Volgens Baardman is uiterlijke onzekerheid dikwijls terug te voeren op de allervroegste jeugd. “In die jaren wordt je zelfvertrouwen gewekt of de kop ingedrukt. Het hangt van de ouders af of ze de tijd nemen hun kind te bevestigen. Als de zelfverzekerdheid zich eenmaal heeft verankerd, kunnen kinderen ook meer klappen opvangen. Ze zijn dan zelfs sterk genoeg om scheldpartijen te weerstaan en hebben lak aan hun puistjes.”

Onder de naam 'Wie niet waagt, blijft maagd' heeft Iman Baardman een gedragstherapie ontwikkeld die gewaande lelijkerds stap voor stap van hun fobie afhelpt. “Ze zijn gewend alle mogelijke catastrofes te ontlopen. Ik ken zelfs patiënten die kampen met een zogenoemde altruïstische fobie. Ze voelen zich zo afstotelijk dat ze liever wegblijven bij een dinertje, dan de eetlust van hun tafelgenoten te vergallen. Het is een idée fixe, echt lelijk zijn ze bijna nooit.”

Tot zijn successen rekent Baardman de vrouw met het enkelprobleem. Acht jaar lang droeg ze alleen lange broeken en laarzen, omdat er geen model zou zitten in haar onderbenen. Op verzoek van de psycholoog trok de hypochonder voortaan elke donderdagavond tien minuten een rok aan. Met moeite. Drie maanden later ging ze de straat op in minirok. “Wie zichzelf onaantrekkelijk vindt, overweegt een bezoek aan de plastische chirurg of de beautyfarm. Niemand denkt aan psychische hulp, terwijl dat toch de enige oplossing is.”

    • Jutta Chorus