Jan Zekveld wil hedendaagse muziekrepertoire niet weg stoppen in aparte series; “Chailly is hier nog onbekend als operadirigent”

“Het Concertgebouworkest had de laatste jaren geen duidelijk eigen gezicht. Dat moet veranderen. Ik wil dat bij meer muziekliefhebbers het gevoel ontstaat dat onze concerten onontkoombaar zijn, dat ze erbij móeten zijn geweest.”

Jan Zekveld (48) is sinds april 1993 artistiek directeur van het Concertgebouworkest. Vandaag maakte hij de programmering bekend voor het seizoen '94/'95, de eerste waarvoor hij verantwoordelijk is.

“Veel afspraken met dirigenten waren al voor mijn tijd gemaakt. Dat hangt samen met de werkwijze die hier, net als overigens bij de meeste andere orkesten, gebruikelijk was. Jaren van tevoren worden dirigenten gecontracteerd. Pas veel later krijgt het programma zijn invulling.

“Voor het komende seizoen heb ik daardoor af en toe compromissen moeten sluiten. In twee gevallen heb ik zelfs dirigenten verzocht om hun komst naar Amsterdam voorlopig uit te stellen. Aan dirigenten als Gardiner, Solti en Haitink kon ik uitleggen waarom ik ze voor ander repertoire nodig had.

“Normaal werk ik precies andersom. Eerst bedenk ik wat er gespeeld moet worden en vervolgens zoek ik daarvoor de best denkbare musici. Alleen zo is het mogelijk om thematische lijnen te ontwikkelen en het orkest goed te profileren.”

Zekveld had nauwelijks een half jaar de tijd om het komende seizoen in te vullen, vandaar dat hij zich heeft geconcentreerd op onderdelen van de programmering. De meest opvallende vernieuwing is het verdwijnen van de C-serie, waarin tot nu toe de moderne muziek een plaats had. De C-serie is vervangen door een première-serie (P-serie), waarin de muziek steeds is gegroepeerd rond een wereldpremière of een Nederlandse première.

Zekveld, die in het gesprek steeds een vanzelfsprekend verschil maakt tussen 'twintigste-eeuwse' en 'eigentijdse' muziek, vindt het niet goed om het hedendaagse repertoire weg te stoppen in aparte series. De C-serie was de laatste jaren volgens hem te veel een vergaarbak voor moderne muziek geworden. Zekveld: “De première-serie heeft een duidelijke band met de actualiteit. Door hedendaags repertoire te combineren met muziek uit het verleden, kun je laten horen dat die niet op zichzelf staat. Bovendien maak je de concerten op die manier aantrekkelijk voor een groter publiek.

Nieuw is een serie met een thematische opzet (T-serie), volgend seizoen gewijd aan Bartók Zekveld: “De keuze voor Bartók, die vijftig jaar geleden overleed, is een pragmatische, een gevolg van de korte termijn waarin de serie georganiseerd moest worden. Maar ik ben er heel tevreden over, want het is repertoire waarin het orkest kan excelleren.

“In 1996 zullen we in de T-serie aandacht besteden aan de Tweede Weense School. Daarbij kun je verbanden leggen met het repertoire waarmee het orkest groot is geworden. Denk aan een concert met de Orkestvariaties op. 31 van Schönberg, gecombineerd met de Vijfde van Bruckner, met Chailly als dirigent. Dat is toch prachtig: twee fantastische werken, voortkomend uit dezelfde traditie, met allerlei structurele overeenkomsten. Ook een breukvlak-componist als Zemlinsky, waarmee Chailly een bijzondere band heeft, past mooi in dit thema. Dat biedt ons bovendien de kans om met het orkest iets aan opera te doen. De opera-kant van Chailly is in Nederland nog niet erg bekend.”

Wat doet een eigenzinnige programmeur als Zekveld met de B-serie, bestemd voor het traditionele romantische repertoire? Zekveld blijkt voorzichtig met wat hij 'de ruggegraat van de orkest-programmering' noemt. Zekveld: “Ik wil een trouw publiek niet ineens een andere programmering voorzetten. Concerten uit de nieuwe series zullen voorlopig slechts mondjesmaat in de B-serie doordringen. Ieder concert moet op zichzelf consistent zijn, maar er zal geen thematische opzet komen. Een dirigent als Giulini is heel belangrijk voor het orkest. Met zo'n man moet je zorgvuldig omgaan, daar kun je niet te veel programma-eisen aan stellen.”

Voordat Zekveld bij het Concertgebouworkest werd benoemd, was hij als hoofd van de VARA-muziekafdeling verantwoordelijk voor de programmering van de VARA-matinee. Zekveld: “Bij de VARA bevond ik me in een luxe-positie. De matinee was een permanent, over het jaar verspreid festival. Bij het Concertgebouworkest moet ik meer rekening houden met repetitieschema's. Ik kan niet steeds onbekend repertoire programmeren. Het orkest moet regelmatig Bruckner, Mahler, Strauss en Wagner spelen - het repertoire waarin het een naam heeft hoog te houden. Tournees en cd-opnamen zijn belangrijk in verband met de additionele inkomsten, die we beslist nodig hebben.”

“Toch ben ik blij met mijn overstap. In de jaren dat ik de matinee programmeerde, ben ik kieskeuriger geworden. Als ik tegen de zomer de achterstand heb ingehaald, staan de volgende drie seizoenen in de steigers. Dan kan ik aan alle drie tegelijk schaven en elk idee vervangen door een beter idee. De breedte en de afwisseling van de Vara-matinee heb ik achter me gelaten, nu wil ik de diepte in.”

    • Paul Luttikhuis