Hillary als handicap

DE WHITEWATER-AFFAIRE is inmiddels voorzien van het suffix 'gate': Whitewatergate. Het lijkt wat veel eer voor een onverstandige belegging van de jonge gouverneur van een kleine staat in Amerika en zijn ambitieuze eega, inmiddels flink wat jaren geleden. Verschijnselen als het regelen van campagneschulden met behulp van de spaarbank van een bevriende medevennoot mag vragen oproepen, maar zij zijn in de Amerikaanse politiek niet uitzonderlijk. Bovendien waren dit de jaren tachtig, waarin juist onder de regering-Reagan de algemene toon werd gezet van een onbekommerd streven naar gewin. Dan past de Republikeinen thans wel enige bescheidenheid, zou men zeggen.

Het is dan ook vooral de wijze waarop het Witte Huis onder president Clinton de geesten uit het verleden probeert te bezweren met alle hulpmiddelen die het ten dienste staan, die de vergelijking met Watergate heeft opgeroepen. Typerend is dat speciale aanklager Fiske het focus van zijn onderzoek heeft uitgebreid van de gebeurtenissen in Arkansas tot de handel en wandel van het Witte Huis. Een hele serie medewerkers heeft een dagvaarding gekregen. Het woordgebruik van Clinton - “ik heb niets verkeerd gedaan” - wekt een onweerstaanbare herinnering aan Nixons “ik ben geen boef”.

De prikkelende geur van koningsmoord hangt in de prille lentelucht van Washington. Of is het toch vooral een kwestie van het uitvergrooteffect waartoe de intense wisselwerking tussen politiek en media binnen de omheining van de federale hoofdstad al gauw leidt? De opwinding mag van een afstand wellicht opgeklopt lijken, geheel onschuldig is zij niet. Gedurende Clintons lange aanloop naar het Witte Huis is het voor de kiezers herhaaldelijk de vraag geweest wat men nu eigenlijk aan hem heeft. De marge van de verkiezing was nipt. Als president kan Clinton het image van “slick Willy” slecht gebruiken.

DE AFFAIRE begint haar uitwerking op de uitoefening van het presidentschap niet te missen. De afgelopen week werd een gezamenlijke persconferentie van Clinton en Sjevardnadze ondergesneeuwd door vragen over Whitewater ten koste van de toch ook niet onbelangrijke vraag hoe Georgië uit de greep van Moskou moet blijven. En nu overschaduwt het ontslag van Webster L. Hubbell (ook uit Arkansas) weer Clintons grote manifestatie voor banen in Detroit. Het klassieke gevaar dreigt dat de regering zo wordt afgeleid dat zij onvoldoende energie kan besteden aan de hoofdpunten van haar beleid, de punten waarop een tweede presidentiële termijn moet worden verdiend. Wat dit betreft wreekt zich wellicht toch dat Clinton lang heeft geaarzeld met het benoemen van een speciale aanklager. De vrees was dat zo'n functionaris om zichzelf te bewijzen verder wroet dan strikt geboden is. Zo'n speciaal onderzoek pleegt anderzijds ook geruime tijd te vergen, met alle mogelijkheden van dien om procedurele stremmingen op te werpen. Met enige handigheid kan al die tijd in de politieke arena een beroep worden gedaan op het geheim van het justitiële vooronderzoek.

THANS ZIT CLINTON zowel met een onderzoek dat zich bezig is te verbreden als met een toenemende aandrang in het Congres een eigen enquête te houden. Tot dusver overheerst bij de wetgevende macht het besef dat hoorzittingen de speciale aanklager voor de voeten lopen. Ook als het Congres niet zover gaat getuigen straffeloosheid toe te zeggen (wat in het belang van het eigen onderzoek vaak moeilijk te vermijden is), bemoeilijkt de begeleidende publiciteit al gauw een eventuele berechting. De Republikeinse oppositie heeft dan ook wel moeten instemmen met een pauze, die zeker tot mei moet lopen. Het is de vraag of zij het momentum zo lang kan bewaren. Maar een voor de hand liggende uitweg is Clinton ontzegd; hij kan alle leden van de vriendenkring uit Arkansas die hij mee naar Washington nam, laten vallen, behalve zijn vrouw. En juist op haar spitsen veel van de vragen rond Whitewater zich toe. Het zal de president niet meevallen het initiatief te hernemen.