Griekenland en dochter Cyprus drijven wat uiteen

ATHENE, 16 MAART. De Griekse minister van defensie, Jerásimos Arsénis, brengt deze week een vijfdaags bezoek aan Cyprus. “Dat werd tijd”, kan men zowel in Nicosia als in Athene horen. Het bezoek zou aanvankelijk in januari plaatshebben, maar werd om onduidelijke redenen uitgesteld. De laatste tijd heeft zowel in Nicosia als in Athene de indruk postgevat dat het 'moeder'- en het 'dochter'-land bezig zijn uiteen te drijven.

In vroege tijden brachten Grieks-Cyprische presidenten geregeld, zowat eens in de twee maanden, bezoeken aan 'de hoofdstad van het Hellinisme' zoals de Turks-Cyprische 'president' Denktas dat nog steeds doet aan Ankara. De vorig jaar gekozen Glafkos Kliridis is echter nog maar een keer bij de, in oktober heraangetreden premier Andreas Papandreou geweest, eind vorig jaar. Hilariteit heeft op Cyprus gewekt dat hij onlangs opnieuw werd uitgenodigd, maar pas voor de maand juli, en op het eiland Rhodos.

Deze vertragingstactiek is des te opmerkelijker omdat tijdens Kliridis' bezoek aan Athene ogenschijnlijk wijd reikende besluiten werden genomen. Grieks-Cyprus werd opgenomen in de defensie-structuur van Griekenland, iets waarop minister Arsénis tijdens zijn bezoek ongetwijfeld zal inhaken maar dat vooralsnog de heet van de naald gekomen felle Turkse reacties niet lijkt te rechtvaardigen. En Nicosia en Athene zouden voortaan 'samen beslissen' over alles wat de toekomst van het eiland betrof. Tot dan toe had een andere doctrine gegolden: Nicosia beslist, Athene staat bij.

Maar in Cyprus heerst sindsdien, niet ten onrechte, de indruk dat Athene het veel te druk heeft met het Macedonische probleem om zich met Cyprus bezig te houden. Van het 'samen besluiten' komt in de praktijk niets terecht, en dat terwijl de Grieks-Cyprische republiek wel degelijk voor zware beslissingen op korte termijn staat.

De secretaris-generaal van de Verenigde Naties, Boutros-Ghali, heeft er in zijn jongste rapport geen twijfel over laten bestaan dat beide partijen nog deze maand moeten reageren op het pakket 'vertrouwenwekkende maatregelen', dat zijn vertegenwoordiger op het eiland, Gustav Feysel, heeft opgesteld. Afwijzing zou onafzienbare gevolgen hebben, schrijft hij.

Het gaat voornamelijk om twee zaken. Het vliegveld van Nicosia, dat buiten bedrijf is sinds de Turkse inval in 1974, zou weer moeten worden opgesteld, en de badplaats Famagusta, sinds 1974 een 'spookstad' onder Turkse controle, zou voor een derde onder VN-beheer komen. Van de 45.000 Griekse vluchtelingen zouden dan 15.000 kunnen terugkeren in een gemengde stad die onder VN-bestuur zou staan.

Zowel Denktas als Kliridis heeft de voorstellen in principe aanvaard, maar eerstgenoemde met heel wat méér enthousiasme. Het wordt voor de Grieken immers een zwaar gelag dat slechts een minderheid zou kunnen terugkeren naar een stad waarvan het herstel jaren zal vergen, en zonder dat zij het beheer over hun eigendommen (hotels etcetera) terugkrijgen.

Nog veel meer haken en ogen heeft voor de Grieken het vooruitzicht van het weer functioneren van het internationale vliegveld. Dit zou namelijk twee 'in- en uitgangen' krijgen, een naar de Griekse, de ander naar de Turkse sector. Bij de laatste zouden Turks-Cyprioten kunnen uit- en inreizen op vertoon van een paspoort van de, tot nu toe alleen door Ankara erkende, 'Turkse republiek Noord-Cyprus'. Ook zou de Turkse luchtvaartmaatschappij vrij op Nicosia kunnen vliegen, en andere maatschappijen zouden dat ook rechtstreeks kunnen doen, dus niet meer, zoals tot nu toe geboden, via Turkije.

Een begin van internationale erkenning van de Turks-Cyprische republiek, zo zeggen de tegenstanders, die al steeds weer zijn te vinden in de nationalistische partijen van oud-president Kyprianou en van de socialist dr. Lyssaridis, benevens in de kerkleiding. Zij wijzen er ook op dat het probleem op deze wijze wordt teruggebracht tot één tussen de twee bevolkingsgroepen, terwijl het er in werkelijkheid een zou zijn van een land dat door het andere is binnengevallen en gedeeltelijk bezet.

De voorstanders waarschuwen dat van Griekse zijde door de decennia heen alle gelegenheden voor een oplossing zijn gemist waardoor de positie van de Grieks-Cyprioten steeds slechter wordt. De tijd werkt in het voordeel van de Turken, stellen zij.

Onlangs kwam bij uitzondering een Grieks minister, 'van Egeïsche-Zeezaken', naar Nicosia, die versluierd de tegenstanders gelijk gaf en stelde dat de Grieks-Cyprioten “er goed aan doen, te wachten op verdere verzwakking van Turkije”. Maar deze mening vond felle weerstand in Nicosia's grootste en verreweg meest serieuze krant, de Filelèfteros, die ook in hoofdartikelen begint te klagen: waarom horen wij niets meer van Papandreou zelf?

En vorige week kwam de voorlopige climax in dit proces van uit elkaardrijving: een Grieks-Cyprische afgevaardigde, Takis Chatzidimitriou, onthield de Grieken steun bij een stemming in het parlement van de Raad van Europa over het Griekse optreden tegen Macedonië. Hij stemde blanco, en dat terwijl beide landen elkaar zelfs nog steunen bij het Eurosongfestival.

Aan de tand gevoeld na thuiskomst, verklaarde hij dat het hem voor Cyprus ongunstig leek om Athene in deze kwestie voor honderd procent bij te staan, aangezien het dan gevaar liep ook Athenes isolement te gaan delen. In Griekenland is het incident betrekkelijk ongemerkt voorbij gegaan, maar dat komt doordat hier over de hele linie een verpletterend gebrek aan belangstelling heerst voor wat er op het eiland gebeurt, al maken verschillende comités zich op te gaan gedenken dat het twintig jaar geleden is dat de Turken het eiland binnenvielen. Weinig Grieken bij voorbeeld weten dat Cyprus voor het Wereldkampioenschap voetbal tegen 'Skopje' (Macedonië) zal moeten uitkomen.

    • F.G. van Hasselt