G7-top wil naar betere werkloosheidsstatistiek en scholing

DETROIT, 16 MAART. De leden van de Groep van Zeven grootste rijke landen hebben gisteren in Detroit besloten om de verbanden tussen produktiviteit, werkgelegenheid en technologie, speciaal informatietechnologie te laten onderzoeken. Bovendien moeten er onderling beter vergelijkbare statistieken over werkloosheid komen. De Organisatie van 24 geïndustrialiseerde landen, de Oeso, moet het onderzoekswerk uitvoeren. Verder gaan ambtenaren van de G7-landen in elkaars landen kijken hoe de scholing daar in zijn werk gaat. Dat zijn de enige concrete resultaten van de conferentie over werkgelegenheid tussen ministers van financiën, arbeid en economische zaken van de Verenigde Staten, Canada, Frankrijk, Italië, Duitsland en Japan.

De Amerikaanse minister van financiën Lloyd Bentsen zei dat “banen en groei nu vooraan op de agenda komen” van de G7-topconferentie in Napels in juli. Maar hoe de inhoud van de top daardoor beduidend anders wordt dan anders, gaf hij niet aan. Ook traditionele G7-thema's als handel, open markten en rentes hebben met werkgelegenheid te maken. Westeuropese ministers van financiën houden meer voeling met hun collega's van sociale zaken, arbeid of economische zaken dan hun Amerikaanse collega's.

De algemene, samenvattende verklaring van minister Bentsen aan het slot van de conferentie bevatte weinig concrete punten. De ministers waren het erover eens dat de onderling verschillende samenlevingen en arbeidsmarkten “veel meer zouden moeten worden afgestemd op verandering” maar de landen moeten dat “op hun eigen manier” doen. De afgevaardigden spraken veel over onderwijs en herscholing om mensen aan het werk te krijgen maar dan moet er wel een klimaat zijn waarin “de bedrijfswereld banen voor deze mensen heeft”.

“Er was overeenstemming dat iedere natie meer investering in haar eigen mensen nodig heeft”, zei Bentsen. “We moeten er zeker van zijn dat we de werklozen helpen om weer te gaan werken zodat hun vaardigheden niet roestig worden”. Technologie was volgens de ministers van groot belang om de welvaart te bevorderen. Voor een meer concreet communiqué was weinig ruimte. Volgens de Britse minister van Financiën, Kenneth Clark waren leden van dezelfde delegatie het zelfs soms onderling oneens over wat het beste werkgelegenheidsbeleid zou zijn.

De deelnemende leden verkeren onderling in totaal verschillende omstandigheden. Japan heeft nauwelijks werkloosheid maar een onderbestedingscrisis. In bijscholing speelt de Japanse overheid nauwelijks een rol omdat de bedrijven die taak op zich nemen. Japan heeft anders dan West-Europa en Amerika geen immigratie van grote aantallen ongeschoolden, die niet gemakkelijk aan een goed betaalde baan komen. De Amerikaanse werkloosheid bedraagt de helft van de Europese. Clinton maakt zich zorgen over steeds grotere inkomensongelijkheid en steeds grotere armoede bij de ongeschoolde of laaggeschoolde werknemers. Dat probleem zou misschien meer overheidsingrijpen vergen.

De Westeuropese landen moeten de rol van de overheid juist verminderen. Het was duidelijk dat het Amerikaanse, vrije-markt-model Westeuropese deelnemers meer inspiratie bood dan andersom. Een lid van de Duitse delegatie zei dat deelnemende regeringen de gesprekken in Detroit konden gebruiken als argument in het sociale debat in eigen land. “In Duitsland kun je het niet hebben over loon naar produktiviteit”, zei hij. “Daar heerst de solidariteit. Wie meer verdient, moet de minder verdienende meetrekken. Hier zeggen de Amerikanen gewoon dat lonen afhankelijk moeten zijn van de prestaties van het bedrijf. In Duitsland zou je bij zo'n uitspraak de vakbonden en het sociale overleg over je heen krijgen. De Engelsen kunnen uit de gesprekken hier concluderen dat hun economische beleid niet zo gek is als soms wordt voorgesteld”.

De Duitse minister van arbeid Norbert Blüm zei gisteren dat Duitsland “een weg uit de starre, vastgebakken arbeidstijden” moet vinden. Hij zei ook dat noodlijdende bedrijfstakken minder vaak zouden moeten grijpen naar het middel van vervroegde uittreding. Volgens de Amerikaanse minister van arbeid Robert Reich zeiden de deelnemers dat ze regelingen voor vervroegd pensioen terugdraaiden omdat ze geen nieuwe banen opleverden. De economische adviseur van het Witte Huis, Laura D'Andrea Tyson, zei dat ze zich voor de conferentie veel meer had voorgesteld van het Duitse leerlingenstelsel. “Ik dacht dat dat de weg was die Amerika moest inslaan. Maar de Europese deelnemers zeiden ons dat de technologische veranderingen zo snel zijn dat toch weer nieuwe scholing nodig is”, zei Tyson. Ze wil de negatieve Europese ervaringen verwerken in het ontwerpen van een nieuw Amerikaans scholingssysteem.

Reich vond het wel zinvol dat de Europese Commissie de mogelijkheden van EG-leden om industrieën en werkgelegenheid bij elkaar weglokken beperkt. “Dat is misschien ook een idee voor de activiteiten van de Amerikaanse deelstaten”, zei hij. De Franse delegatie probeerde steun te vinden voor een internationale handelsclausule tegen “sociaal dumpen”. Tegen landen die dwangarbeid, kinderarbeid, gevangenisarbeid, werk door zwangere vrouwen toelieten en vakbonden verboden zouden handelssancties moeten worden genomen. Er was nog weinig enthousiasme voor het voorstel van de Fransen, die hun plan voor een “sociale clausule” bij de International Labor Organisation in Geneve ter sprake willen brengen.

Zo konden de leden van de conferentie naar hartelust met elkaar filosoferen over het creëren van werkgelegenheid. “Er was meer openheid dan ik eerder heb gezien”, zei de Amerikaanse minister van financiën gisteren. Zelfs de Japanse plaatsvervangende minister van handel, Otolinko Endo, gaf toe dat ook Japan tegenwoordig problemen had met het creëren van nieuwe banen met hoge lonen. “Het is niet langer het probleem van iemand anders”, zei Endo. “De Japanse economie is voor de eerste keer in een dergelijk economisch moeilijk tijdperk beland.” Toch waarschuwde hij dat onderlinge coördinatie van werkgelegenheidsbeleid niet mogelijk was omdat arbeidsmarkten van landen bepaald worden door specifieke “politieke, financiële, sociale, economische en culturele elementen”.

Tegen de media gaven Amerikaanse functionarissen nog blijk van kritiek op de hoge Duitse rentes en de volgens hen gesloten Japanse markten. De Canadezen, Fransen, Italianen en Engelsen waren het in stilte met de Amerikaanse kritiek eens. Tot een echte discussie daarover kwam het niet meer gisteren. “De Japanners weten wat we denken”, zei de Amerikaanse minister van handel, Ron Brown. En zo gingen de delegatieleden gesterkt door de open want vrijblijvende gesprekken naar huis, de 200 journalisten zonder veel concreet nieuws achterlatend. De aanwezige politici konden hun natuurlijke neiging tot het bekend maken van grootse beleidsinitiatieven bedwingen.