Duurzaam 'boeren' in Bangladesh geeft betere oogst

DEN HAAG, 16 MAART. 'Do nothing farming' is een onbekend begrip bij Westerse agrariërs, maar voor directeur Q.F. Ahmed van Proshika in Bangladesh is het een belangrijk deel van de armoedebestrijding. Proshika is een zusterorganisatie van Novib, die zich inzet voor internationale ontwikkelingssamenwerking. Duizenden mensen in Bangladesh worden op het Central Training Centre van Proshikain Koitta, zestig kilometer benoorden de hoofdstad Dhaka opgeleid tot 'do nothing farmer', volgens Ahmed een vorm van duurzame of ecologische landbouw. Ahmed was hier vorige week op verzoek van Novib om het succes van deze vorm van landbouw toe te lichten.

De filosofie is ontleend aan de Japanse boer Masonobu Fukuoka, die het principe 'let nature follow her own way' hanteert, zoals de natuur dat in oerbossen gewend is. Daar wordt niet geploegd, niet gewied, geen kunstmest gestrooid en geen herbiciden of pesticiden gebruikt. Niettemin is de grond los en rijk aan voedingsstoffen voor gewassen. Dat komt doordat er de juiste verscheidenheid aan organismen door elkaar leven, zo meent Fukuoka. De natuur heeft zo haar eigen uitgekiende systeem van recycling. Bovendien is er vegetatie op verschillende niveaus, bomen, struiken en planten, zodat het zonlicht optimaal wordt gebruikt. Fukuoka ploegt niet, wiedt niet, gebruikt geen kunstmest en geen chemische bestrijdingsmiddelen, maar streeft naar een grote variëteit aan gewassen op elk perceel. De grond is voortdurend bedekt en wordt bemest met organisch materiaal. Fukuoka heeft al jarenlang een grotere rijstoogst dan het Japanse gemiddelde.

Het duurt een tijd voordat de grond in zijn gewone balans is, maar vanaf dat moment is de boer dan ook zeker van prima oogsten, zo stelt Ahmed. En voor Bangladesh is dat van levensbelang. Ongeveer 80 procent van de totale bevolking - 110 miljoen inwoners - is voor zijn inkomen op de een of andere manier afhankelijk van de landbouw. De meesten werken bij een boer zonder zelf grond te hebben. Landbouw levert bovendien de grootste bijdrage aan 's lands economie.

“In een poging de produktiviteit omhoog te tillen is men in het verleden gebruik gaan maken van moderne technologie en in het bijzonder van chemische bestrijdingsmiddelen en kunstmest. Voordurend is aangenomen dat deze stoffen uitsluitend bijdroegen aan vergroting van de oogsten, maar men heeft er nooit bij stilgestaan dat er onverwachte effecten zijn in het milieu, die op den duur wel eens een averechtse uitwerking konden hebben op de stabiliteit van de landbouw. Zo is de grond snel verschraald, door de kunstmest is de bodem verzuurd en zijn de natuurlijke micro-organismen in de grond goeddeels uitgeroeid, terwijl die wel een essentiële rol spelen bij de voeding van het gewas. Hierdoor is dat gewas buitengewoon kwetsbaar geworden voor plagen. Met pesticiden bestrijdt je niet alleen plagen, maar ook nuttige dingen als microben, wormen, insecten als bijen, kikkers, hagedissen en vogels”, aldus Ahmed.

“Daarbij komt dat de veroorzakers van de plaag resistent worden, met als gevolg dat boeren moeten uitzien naar een verscheidenheid van pesticiden, waarvan er sommige in het buitenland verboden zijn, maar in Bangladesh gewoon mogen worden geïmporteerd. Dat heeft geleid tot ongekende vervuiling van oppervlakte- en grondwater, met fatale gevolgen voor de vis en grote gezondheidsrisico's voor de bevolking, zeker in landelijke gebieden waar gebruik wordt gemaakt van putten.”

“De gangbare landbouw heeft dus fnuikende gevolgen gehad voor agro- en ecosystemen in Bangladesh, maar het is ook interessant”, zegt Ahmed, “om eens te bezien wat de economische winst dan wel is geweest. Volgens de overheidsstatistiek is het landbouwareaal tussen 1972 en 1987 toegenomen met twintig procent. In diezelfde periode is het gebruik van kunstmest toegenomen met 334 procent. Dat zou moeten betekenen dat de oogst per hectare minimaal zou moeten zijn verdrievoudigd in die vijftien jaar. Het tegedeel is waar: de opbrengsten zijn met een tiende afgenomen”.

Proshika heeft in 1991 een onderzoek gedaan onder 500 boeren met een sterk uiteenlopende status: zonder land, met marginale opbrengst, middelgroot en grote landeigenaren. Bovendien kwamen ze uit verschillende regio's in het land. Hun werd gevraagd wat hun ervaringen waren met de 'chemische landbouw'. Ze vertelden allemaal dat gewasbescherming en kunstmest gedurende de eerste jaren van gebruik een stijging van de produktie veroorzaken, waarna de opbrengsten gaan afnemen. In wanhopige pogingen de oogsten op het hoogste niveau te houden gaat er steeds meer kunstmest op het land, zonder het gewenste resultaat.

Het gebruik van pesticiden was in 1986 3.063 miljard kilo en was in 1990 bijna verdubbeld tot 6.948 miljard kilo. In dat tijdsbestek is de oogst nauwelijks groter geworden, hetgeen aantoont dat de plaagdieren resistent zijn geworden voor de landbouwgiffen. “Verontrustend daarbij is dat een groep pesticiden, die bekend staat als 'the dirty dozen' en in Europa en de VS verboden is, gewoonlijk wordt toegelaten tot de markt in Bangladesh. Er zijn ook nogal wat gevallen van dodelijke ongelukken met deze stoffen, omdat de meeste boeren analfabeet zijn en dus niet in staat handleidingen en bijsluiters te lezen”, aldus Ahmed. “Het gebruik van handschoenen, maskers of overalls is onbekend. Gevallen zijn bekend van vishandelaren die deze insecten-dodende stoffen gebruiken als conserveringsmiddel voor gedroogde vis.”

“Door de veredeling van rijstsoorten is er tegenwoordig een sterke mono-cultuur. Een groot aantal variëteiten - in eeuwen opgebouwd door natuurlijke en menselijke selectie - is volledig verdwenen. Dat betekent zelfs dat soorten die wel eens hard nodig kunnen zijn om in de toekomst succesvol te kunnen kruisen voor altijd verloren zijn. En dat je die nodig hebt blijkt wel nu de meest gangbare rijstsoort erg kwetsbaar blijkt te zijn voor bepaalde ziekten. Eén studie heeft aangetoond dat van de 12.487 geregistreerde rassen er nu in elk geval 7.000 niet meer bestaan”, aldus Ahmed. “Maar daar blijft het niet bij. Het 'mandje levensmiddelen' begint er ook uitermate schraal uit te zien. De produktie van eiwitrijke bonen, die voor armen nog betaalbaar zijn is tussen '78 en '87 met vijftien procent verminderd. Hetzelfde geldt voor de inlandse viskweek. Tussen '72 en '86 is de vangst met achttien procent terug gelopen. Dat geldt evenzeer voor het verbouwen van oliehoudende zaden.”

“De armen worden buiten proportioneel hard getroffen door gevolgen van het vernietigen van agro- en ecosystemen. De investeringen zijn sterk omhoog gegaan, waar een schralere oogst tegenover stond, het voedselaanbod is verarmd en de vergiftiging van bodem en water hebben het voor velen onmogelijk gemaakt nog een inkomen te vergaren, zich te voeden en de gezondheid op een aanvaardbaar peil te houden. Het is dus duidelijk dat gestreefd moet worden naar een duurzame, produktieve, rechtvaardige en milieu-vriendelijke vorm van landbouw.”

Inmiddels is Proshika actief in 4.500 dorpen. Er wordt steeds gewerkt met groepen van vijftien tot twintig mensen. Daar zijn er nu 35.000 van. In totaal er er nu 40.000 bedrijven opgezet door de organisatie. Ze zijn actief in viskweek, landbouw of produktie van zijde. “Die bedrijven hebben al met al een omzet van ruim 200 miljoen gulden. Dat heeft ertoe geleid dat de banken nu armen als klant krijgen voor een lening. En het aardige is dat die banken ze tegenwoordig ook graag helpen. In de eerste plaats omdat ze, anders als veel rijken, keurig hun schulden betalen en in de tweede plaats omdat zij ook echt iets met dat geld doen. Ze investeren het uitermate in hun bedrijf, waar de rijken de boel over de balk smijten”.

    • Bram Pols