Duitse regering: omvang van leger niet verkleinen

BONN, 16 MAART. De omvang van de Duitse strijdkrachten wordt gehandhaafd op 370.000 militairen maar minister Volker Rühe van defensie weet nog niet of hij die sterkte ook werkelijk kan financieren.

De Duitse regering wil in elk geval vasthouden aan de dienstplicht maar tegelijkertijd binnen de Bundeswehr meer “crisisbeheersende eenheden met een hoog niveau aan professionaliteit” vormen.

Dit heeft Rühe gisteren gezegd nadat het Duitse kabinet de hoofdlijnen van een defensie-witboek dat volgende maand moet verschijnen had goedgekeurd. Hij liet in het midden of, zoals vrijwel vast lijkt te staan, de werkelijke strekte van het Duitse leger eind dit jaar wegens financieringsproblemen tussen 320.000 en 350.000 zal liggen, met een “papieren reserve” tot 370.000.

Veel zal daarbij afhangen van de vraag of Rühe op zijn begroting voor de komende jaren nog meer zal moeten snoeien dan tot nu toe gebeurd is. Dat lijkt een open vraag sinds kanselier Helmut Kohl al eens openlijk, op de zogenoemde Wehrkundetage - een congres over defensievraagstukken - in München, over de noodzaak van eventuele verdere bezuinigingen heeft gespeculeerd. De oppositionele SPD kritiseert het aanstaande witboek al bij voorbaat als “overbodig” omdat het geen antwoord geeft op zulke open vragen.

Het Duitse defensiebudget, dat in 1990 nog circa 52 miljard mark beliep, is voorhands voor de komende drie jaar op 47,5 miljard gesteld. Sinds 1990 zijn de Oost- en Westduitse legers geïntegreerd. Zij zijn intussen - volgens een in dat jaar met de Sovjet-Unie afgesproken “prijs” voor de Duitse eenwording - tot 370.000 man teruggebracht (in 1990 hadden de beide legers samen omstreeks 550.000 man op de been). De integratiekosten zijn hoog geweest, Rühe heeft al een reeks materieelplannen op een lager pitje gezet of afgelast. De grootste aandacht kreeg daarbij zijn initatief om een eenvoudiger jachtvliegtuig dan de geplande Brits-Italiaans-Spaans-Duitse Jäger '90 ('EFA') te bestellen. Dat leverde spanningen op met Londen alsook problemen bij vliegtuigbouwer Dasa (de Fokker-moeder die tot het Daimler-concern behoort). De geplande modernisering van Oostduitse kazernes heeft Rühe ook moeten vertragen.

De strijd om Rühes budget is ingewikkeld, en zijn planning daarmee ook. Theo Waigel eist in Bonn als minister van financiën meer bezuinigingen maar klaagt als voorzitter van de Beierse CSU over de gevolgen daarvan, bijvoorbeeld omdat het grootste deel van de Dasa-fabrieken in Beieren staat, waar later dit jaar regionale verkiezingen zijn. Minister Klaus Kinkel (buitenlandse zaken) wil dat Rühe de Duitse aanspraak op een vaste plaats in de Veiligheidsraad steunt door de Bundeswehr snel te voorzien van moderne nieuwe eenheden die aan de VN beschikbaar kunnen worden gesteld voor crisisbeheersing (vredesmissies). Maar als FDP-voorzitter kent dezelfde Kinkel een partijprogramma dat uitdrukkelijk opteert voor een kleiner Duits leger en een lager defensiebudget. Om al die redenen verwacht in Bonn niemand dat Defensie vóór de Bondsdagverkiezingen van 16 oktober een definitieve basis voor de planning van de komende jaren krijgt.

    • J.M. Bik